Dankzij de Heren

Hella S. Haasse gaf de Nederlandse historische roman een nieuw aanzien, stelt Pieter Steinz in zijn stoomcursus literatuur.

Over het lijstje met de Grote Drie van de naoorlogse Nederlandse literatuur wordt al jaren heftig gediscussieerd. Gerard Reve en W.F. Hermans horen erop, daarover is iedereen het eens; maar wie maakt het literaire supertrio compleet? Harry Mulisch, zeggen de meeste critici, hoewel enkele dissidenten even dapper als overtuigend volhouden dat zijn filosofische jongensboeken vooral stilistisch onder de maat zijn. Jan Wolkers? Nee, beweren de criticasters, want zijn oeuvre bestaat `maar' uit een half dozijn goede boeken, die bovendien opvallend snel verouderen. A.F.Th. van der Heijden? Eerst maar eens zijn volgende roman (die met de `open deadline') afwachten. Of toch Hella S. Haasse? – jarenlang gezien als een goede middenmoter, maar sinds de emancipatie van de literatuurkritiek (en dankzij haar magnum opus Heren van de thee, 1992) gepromoveerd tot de enige vrouw die tegen de literaire macho's is opgewassen.

Hoe het ook zij, van de Grote Zes is Hella Haasse (Batavia, 1918) de eerste die de eer te beurt valt te worden opgenomen in de reeks `Oerboek' van De Bezige Bij. In Een doolhof van relaties (gisteren besproken in de bijlage Boeken) staan fragmenten van het grotendeels virtuele manuscript waaruit alle boeken van Haasse zouden zijn voortgekomen. De belangrijkste daarvan zijn Het woud der verwachting (1949), een traditionele historische roman, en Mevrouw Bentinck of Onverenigbaarheid van karakter (1978); de succesrijkste Oeroeg, het boekenweekgeschenk van 1948, en Heren van de thee, dat tien jaar geleden uitkwam en meer dan veertig keer herdrukt werd.

In Heren van de thee komen drie belangrijke lijnen uit Haasse's oeuvre bij elkaar. Het ware verhaal van de planter-pionier Rudolf Kerkhoven (1848-1918) is een documentaire roman van het soort waarin Haasse zich vanaf Mevrouw Bentinck heeft gespecialiseerd: gebaseerd op brieven en documenten, die soms letterlijk worden geciteerd maar overigens (zoals Haasse in haar Verantwoording schrijft) `gearrangeerd [zijn] volgens de eisen die een roman-aanpak stelt'. Daarnaast is Heren van de thee de eerste roman na Oeroeg die zich afspeelt in het Nederlands-Indië dat Haasse kende uit haar jeugd en dat een onuitwisbare indruk op haar heeft gemaakt. En ten slotte draait het in de roman om de moeizame verhouding tussen een autoritaire man en een verstikte vrouw die onder meer in Haasse's Bentinck-boeken (ook: De groten der aarde of Bentinck tegen Bentinck, 1981) naar voren komt.

Haasse's heruitvinding van de met documenten vermengde vie romancée (`historische collages' worden haar boeken wel genoemd) redde niet alleen haar door conventionele historische romans ietwat getaande reputatie, maar was ook van grote invloed op een generatie nieuwe schrijvers. Zo liet de laatbloeier Nelleke Noordervliet zowel in de aanpak als in de titel van haar debuutroman Tine of De dalen waar het leven woont doorschemeren waar zij haar inspiratie vandaan haalde, en traden onder meer Inez van Dullemen, Hanny Alders en Arthur Japin in Haasse's voetsporen. Het succes van Japins koloniënroman De zwarte met het witte hart (meer dan honderdduizend verkochte exemplaren) bewijst dat de historische documentaire nog een zonnige toekomst heeft.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl