Begrijp jij dat, mam?

Hongaren hebben de naam zelfmoordenaars te zijn maar het valt toch beslist op als er ineens tientallen mensen met een strop om hun nek voorbijkomen. Op klaarlichte dag in het centrum van Boedapest. En dan het beeld van een schattig meisje dat in een televisiespotje tegen haar moeder zegt: ,,Ze zeggen dat de mensen die niet gelukkig zijn met het regeringsbeleid maar een touw moeten nemen en zich op moeten knopen. Begrijp jij dat mam?''

Zelfmoord in de verkiezingscampagne? László Kövér, de ideoloog van gematigd rechts, had de primeur. In nauwelijks mis te verstane termen riep hij midden maart de politici van de linkse oppositie op een touw te pakken, een stevige balk op te zoeken en zich te verhangen. ,,Zonder hen zullen we waarschijnlijk verder komen'', sprak hij tegenover de rechtse aanhang.

Links, dat nog niet bepaald blijk had gegeven van enige inventiviteit tijdens de campagne greep `het affront' onmiddellijk verontwaardigd aan. Voor het hoofdkwartier van de rechtse Fidesz-MPP verzamelde zich een menigte met stropjes om de nek. Op de televisie werd extra tijd ingekocht voor het bewuste onschuldige meisje en haar moeder.

Verkiezingscampagnes zijn per definitie smakeloos. Over de hele wereld krijgen de kandidaten op verkiezingsposters ongevraagd venijnige Hitler-snorretjes aangemeten. Het hoort bij de folklore. Maar de vierde democratische verkiezingen sinds de val van het communisme in 1989 maken al maanden lang verrassend bitse gevoelens los in Hongarije en dat terwijl het eigenlijk heel goed gaat met het land.

,,Het probleem is dat jullie allemaal verraders zijn'' mompelde premier Orbán een paar maanden geleden achter zijn hand in het parlement. Met `jullie' bedoelde hij de links-liberale oppositie. Net als Oudkerk met zijn `kut-Marokkaantjes' had Orbán de pech dat er net een microfoon in de buurt openstond. Zulke dingen gebeuren. Maar in tegenstelling tot de Nederlander nam de Hongaar nauwelijks de moeite om de schade te beperken. Integendeel, dezelfde `verraders' kregen een tijdje later het advies van Orbáns partijgenoot Kövér om zich te verhangen.

Hate-speech is hier in. Rechts mag links uitschelden en andersom. De televisie mag grapjes maken dat het beter zou zijn om kritische buitenlandse correspondenten te `castreren'.

De radicaal rechtse politicus Csurka mag in het parlement waarschuwen voor de joden die massaal uit Israël terug zouden willen komen naar Hongarije. Een naaste adviseur van de premier mag zeggen dat de schrijver van een kritisch boek over diezelfde premier ,,neergeschoten zou moeten worden als een hond''.

Zolang het maar over de tegenpartij gaat mag dat.

Het is de typische verzuiling van de postcommunistische samenleving. In Hongarije hoor je bij het ene kamp of het andere zoals wij vroeger katholiek of protestant waren. Je stemt zoals je omgeving stemt. `Socialisatie' heet dat hier.

Géza gaat links stemmen omdat zijn klanten `links' zijn. Niet uit overtuiging maar om zijn werk veilig te stellen. Hij levert namelijk satellietschotels aan rijke Russen en andere rode baronnen in de heuvels van Boeda en die varen nu eenmaal beter als er een socialistische regering aan de macht komt. Een beetje ver gezocht maar niet onlogisch.

Tibor daarentegen gaat met zijn hele gezin `rechts' stemmen. Tot en met zijn oude moeder aan toe. Er is geen enkele dissident in het gezin. Eendrachtig zullen zij de communistische verraders van weleer de pas afsnijden. Géza noch Tibor heeft een verkiezingsprogramma ingezien en dat is maar goed ook. Hongarije is wat dat betreft sowieso een omgekeerde wereld. Links staat namelijk voor een volledig vrije markteconomie terwijl rechts de staat een flinke vinger in de pap wil laten.

Het is verkiezingstijd in Europa en via de satellietschotel van Géza kunnen we van hieruit overal naar binnen kijken. Naar de buurlanden Tsjechië en Slowakije waar de kandidaten niet veel zachtzinniger met elkaar omgaan, naar Frankrijk waar de presidentskandidaten alvast parmantig rondparaderen en vooral ook naar Nederland.

Zo waren daar deze week 's avonds laat ineens Melkert en Dijkstal: twee politieke tegenstanders die elkaar bijna verliefd aankeken, zo blij waren ze dat ze eindelijk eens over de inhoud mochten spreken. En dan die bloemstukjes die ze elkaar de hele tijd aanboden.

Alsof we even naar een andere planeet mochten kijken.