BANG VOOR BLOEMKOOL

Autisme openbaart zich al op heel jonge leeftijd.

Kinderen met deze stoornis zijn in zichzelf gekeerd en hun gedrag is vaak mechanisch.

Erik Christenhusz werkt als groepsleider op het Paedologisch Instituut in Duivendrecht. Om het werk beter aan te kunnen, ging hij de kinderen fotograferen. Nooit op hun slechtste momenten, wel vlak daarvoor of daarna.

Er huist een boze geest in Micky. Als die bezit van hem neemt, raast en tiert het in de 8-jarige. Zijn gezicht, altijd al een beetje verwrongen, staat dan op zwaar weer en een uitbarsting laat niet lang op zich wachten.

De laatste weken heeft het ongecontroleerde geschreeuw tijdens zulke buien plaatsgemaakt voor een eindeloze vloed scheldwoorden. Micky's repertoire is beperkt: 'vuile kankerlijer', 'kankerhoer', afgewisseld door een monotoon gerepeteerd 'kanker, kanker'.

De kinderen zijn net terug uit school. Zodra Micky begint te huilen en te vloeken, wordt hij naar 'de stille kamer' gestuurd, een kale ruimte met een matras en een boksbal.

Hij stribbelt heftig tegen, wordt bij de hand genomen en met moeite op het matras gelegd. Ongecontroleerd zwaaiend met armen en benen, zet hij zijn tirade voort. In de stille kamer ó de deur gaat niet op slot ó hoeft een kind niet langer dan vijf minuten te blijven. Omdat Micky blijft razen, krijgt hij er nog eens vijf minuten bij. Langzaam, heel langzaam trekt de boze geest zich terug en resteert een zacht snikken. Kwaad en verdrietig kijkend, komt Micky terug de woonkamer in. Een groepsleidster neemt hem apart en vraagt hem of het over is. Micky knikt, de ogen nog nat. Pas enkele uren later wordt duidelijk wat de oorzaak is van zijn woedeaanval. Op de terugweg van school is hij gepest door groepsgenoot Sander die doet of hij van de prins geen kwaad weet.

De stille kamer is de chill-out room voor de kinderen van leefgroep Charlie Brown, een van de afdelingen van het Paedologisch Instituut in Duivendrecht. Het Paedologisch Instituut ó het 'pi' in de wandeling ó is een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie. In huize Charlie Brown wonen zes jongens met autistische stoornissen.

Het schelden van Micky baart de groepsleiding zorgen. De bewoners van Charlie Brown horen op een rustige, respectvolle manier met elkaar te praten. Elkaar uitschelden geldt als een ernstige overtreding van de regels en een terugval naar oud gedrag. En het laat geen enkele groepsleider koud als een kind hem of haar minutenlang voor 'kankerlijer' uitmaakt. 'Ik denk maar dat het niet tegen mij persoonlijk is gericht', zegt Mathilda de Jager, die al twaalf jaar bij Charlie Brown werkt. 'Tijdens zo'n bui is Micky alle zelfbeheersing kwijt. Het is een uiting van machteloos verdriet.' Kinder- en jeugdpsychiater Lex Stockmann, hoofd van de behandelgroepen voor kinderen met autistische stoornissen: 'Een in onze ogen onbenullig voorval kan bij een kind als Micky het gevoel oproepen 'zie je wel, ik kan het niet'. En dan komen al zijn angsten, verlatenheid en eerdere krenkingen naar boven.'

Micky heeft alle reden om zich verdrietig en gekrenkt te voelen. Zijn gezinsgeschiedenis vermeldt agressie en geweld, scheiding van de ouders, ingrijpen door de Raad voor de Kinderbescherming, uithuisplaatsing van alle vier de kinderen, onder wie een verstandelijk gehandicapt zusje, en andere ellende die de ontwikkeling van een kwetsbaar kind niet ten goede komt.

Micky woont op het pi, omdat zijn familie, de school en de ambulante jeugdzorg geen raad meer wisten met zijn gedrag. Kinderen van 4 tot 12 jaar met emotionele, gedrags- en ontwikkelingsstoornissen kunnen ter observatie en behandeling opgenomen worden in een van de tien leefgroepen van het Paedologisch Instituut. Op het terrein staat ook de Pionier, een school voor speciaal onderwijs met kleine klassen en gespecialiseerde leerkrachten.

Autistische kinderen vormen een van de moeilijkste categorieën in de kinder- en jeugdpsychiatrie. 'Door de complexe stoornissen is het lastig werken met deze kinderen', zegt psychiater Stockmann. 'Vaak zijn er ook problemen in het gezin, waardoor die van het kind versterkt worden. De eerste maanden gebruiken we om uit te zoeken wat er precies aan de hand is, bijvoorbeeld of het om een vorm van autisme of om een algemene ontwikkelingsstoornis gaat.'

Terwijl Micky ligt te schreeuwen, spelen de andere kinderen onverstoorbaar verder. Boudewijn (12), Gersom (9), Niels (7), Sander (11) en Tim (11) zijn er wel aan gewend dat een van hen even 'apart moet'. De jongens weten dat het verblijf in die prikkelarme ruimte tot doel heeft 'dat het stil wordt in je hoofd'. Het is een simpel en doorgaans effectief middel.

Vaak is dreigen met de stille kamer al voldoende om een kind weer rustig te krijgen. Wie daar heen moet, weet dat hij een nederlaag heeft geleden en de boze geest niet de baas is geweest.

Er zijn van die dagen dat bijna alle kinderen een keer in de stille kamer belanden. Er gaan dagen voorbij dat geen van hen er heen hoeft. Dan hebben de jongens hun boosheid, angst, onzekerheid en agressie onder controle. Toen ze nog thuis woonden, was dat wel anders. Daar waren, tot wanhoop van de ouders, zulke aanvallen schering en inslag.

'Voor de meeste ouders betekent de plaatsing van hun kind op het pi zowel een enorme opluchting als een grote teleurstelling.' Gezinsmaatschappelijk werkster Corrie Laernoes begeleidt de ouders van de kinderen van Charlie Brown. 'Tegenover de bevrijding van een dagelijkse loden last staat het gevoel als ouders gefaald te hebben.'

Een weekend naar huis

Het is maandagmorgen, wisseling van de wacht. De twee groepsleiders doen verslag aan hun collega's. Zoals ieder weekend zijn de kinderen naar huis geweest. Groepsleidster Jacqueline van Schaick: 'Niels had een goed weekend, hij heeft maar één keer in zijn broek gepoept. Alleen in de ballenbak van McDonald's draaide hij helemaal door. Hij is meteen door zijn ouders afgevoerd. Die denken trouwens dat hij hier te veel eet of dat zijn schildklier niet goed werkt.' De anderen delen haar zorg over het gewicht van Niels. Ze besluiten de verpleegkundige in te schakelen om zijn lengte, gewicht en dieet te controleren. Dan komen de andere kinderen aan de beurt.

De weekends van Boudewijn verlopen rommelig, omdat zijn gescheiden ouders zo'n verschillende opvoedingsstijl hanteren. De ene dag mag hij alles, de volgende dag haast niets. Tim weet nog niet dat zijn definitieve terugkeer naar huis met twee maanden wordt uitgesteld. Zijn ouders wachten op een geschikt moment om het slechte nieuws te vertellen. Sander heeft zaterdag met een vriendje op de computer gespeeld en een James Bond-film gezien. Dat ging goed. De volgende dag had hij alleen volwassen speelmaatjes en liep ieder spel op een conflict uit. Micky was bij zijn moeder, wat goed verliep, op één aanvaring na. Ook het thuisverblijf van Gersom gaf geen bijzondere problemen.

Van weinig Nederlandse kinderen zullen ontwikkeling en opvoeding zo diepgaand besproken worden als die van de jongens en meisjes op het Paedologisch Instituut. De dagelijkse gang van zaken bespreken de groepsleiders tijdens de onderlinge overdracht en het 'morgen'- of 'middagrapport'. In de agenda van de groepsleiding staan team-, casus- en cliëntbesprekingen (tweewekelijks), besprekingen van rolgedrag en gezinssystemen (maandelijks) en themabijeenkomsten (periodiek). Met regelmaat schuiven de kinder- en jeugdpsychiater, de maatschappelijk werkster, een creatief therapeut, een speltherapeut, een verpleegkundige, leerkrachten en stagiairs van de opleiding ontwikkelingspsychologie aan.

Op hun beurt hebben zij besprekingen met ouders, gezinsvoogden, hulpverleners van andere instellingen en met elkaar. En dan zijn er nog tal van informele gesprekjes, briefjes, e-mails, telefoontjes en ingelaste overleggen.

'We hebben altijd wel het gevoel na een tijd te weten wat er met een kind aan de hand is', zegt psychiater Lex Stockmann. 'Al blijven er ziektebeelden waarvan het lastig in te schatten is waar ze op uit zullen lopen. Dat geldt bijvoorbeeld als het gedrag en de stemmingen van een kind sterk wisselen zonder dat je een relatie kunt leggen met problemen in de groep, thuis of op school. Of als een kind lijdt aan forse denkstoornissen. Dan weet je niet wat de uitkomst zal zijn: wordt zo'n kind manisch-depressief, schizofreen of zal het wel meevallen? Kinder- en jeugdpsychiatrie is nog een jonge wetenschap en met onze kennis van de ziektebeelden van volwassenen kun je de stoornissen van kinderen lang niet altijd beschrijven en verklaren.'

In de woonkamer van Charlie Brown ó keurig verdeeld in open keuken, eet-, zit- en speelruimte ó hangen overal lijstjes. Huisregels, persoonlijke leerdoelen, soorten speelgoed, telefoon- en opruimregels: alles wordt benoemd en vastgelegd. Op een prominente plek hangt een ingelijste collectie van pasfoto's, alle voorzien van naam en datum. 'Met voorgoed' staat erboven. Het zijn de kinderen die het gehaald hebben, die voorgoed naar huis mochten. Hoe lastig hun thuissituatie dikwijls ook is en hoe ze ook opbloeien in hun nieuwe leefomgeving, de bewoners van Charlie Brown tellen de dagen dat hun fototje bijgeplakt kan worden.

'Bij het tandenpoetsen zit je op het krukje, je gaat spoelen als de groepsleiding dit tegen je zegt.'

'Je zegt het op een rustige manier, als je het ergens niet mee eens bent.'

Achttien voorschriften tellen de huisregels. Ze kunnen samengevat worden met de aloude pedagogische trits 'rust, reinheid, regelmaat' en een modernere variant 'voorkomendheid, gehoorzaamheid en zelfcontrole'. 'Rustig' is het kernwoord: niet alleen moet er rustig gelopen, gepraat, gespeeld, gegeten en gelezen worden, vooral moeten de kinderen zelf rustig worden. Niet direct reageren op alle prikkels en zelf niet voortdurend de bron zijn van nieuwe prikkels, zo luidt de boodschap. Ervaren dat je met netjes vragen, vriendelijk en attent zijn meer bereikt dan met schreeuwen, opgewonden zijn en ruziemaken.

Machomannen en geweld

Sander, in legerbroek en soldatenkistjes, laat zijn kamer zien. Net als vele andere autistische kinderen heeft hij een speciale fascinatie. Voor Niels zijn dat Pokémonfiguurtjes en -verhalen. Gersom heeft 'iets' met de geluiden van computerspelletjes. Hij beluistert ze zelfs via zijn walkman. Sander is gegrepen door legers en oorlog. Maar op hoeveel jongenskamers kom je zijn marine-affiches en rondslingerende soldaatjes niet tegen? 'Als je kon toveren, wat zou je dan maken?', vroegen ze hem in Charlie Brown. 'Een leger en een bunker', antwoordde Sander. De groepsleiders voelen zich ongemakkelijk bij zijn voorkeur. Ze kaarten het aan tijdens een casusbespreking, maar psychiater Lex Stockmann en de andere gedragsdeskundigen weten ook niet precies hoe om te gaan met Sanders voorliefde voor machomannen en geweld.

Sander is een praatgrage jongen met een wat ouwelijke, rationele woordkeus. Al kent hij je nog maar pas, hij suggereert direct een grote mate van vertrouwelijkheid. De vraag of hij weet waarom hij op het pi verblijft, brengt hem zichtbaar in verwarring, al was het alleen maar omdat hij de regie over het gesprek kwijtraakt. Hij stopt zijn rechterhand in de linkermouw van zijn sweater en vice versa en schudt het geheel op en neer alsof daar het antwoord verscholen zit.

'Ik moet leren vriendjes te maken. Op mijn vorige school lukte dat niet, en kwam er altijd ruzie. Hier heb ik al veel vrienden gemaakt. Vroeger, toen ik in de eerste fase zat, ging dat nog niet zo goed.'

'Vroeger? Hoe lang zit je dan al hier?'

'Twee maanden en twee weken.'

'Nog andere dingen die je moet leren?'

Na lang nadenken: 'Minder brutaal zijn tegen mijn moeder. Verder zou ik het nu niet weten. Zullen we naar beneden gaan?'

Lex Stockmann: 'Een kind moet snappen waarom hij op het pi zit en zijn zusje niet. We maken duidelijk dat het geen straf is, maar dat we willen helpen om nieuwe vaardigheden aan te leren. Met kinderen als Sander, die alles nogal vluchtig waarnemen, moet je van tijd tot tijd dat gesprek opnieuw aangaan, anders vergeten ze het gewoonweg.'

Of de kinderen vooruitgaan, wordt dagelijks getoetst aan de hand van de 'plannen' die ze uitvoeren. Tijdens het limonade drinken na schooltijd mag ieder kind twee plannen indienen voor de tweemaal dertig minuten spelen: een individuele bezigheid en een met een andere jongen of de groepsleiding. De groepsleiding controleert of de plannen passen bij de leerdoelen van het kind en bij de vrijheden die hij verworven heeft. Sander wilde vandaag het tweede half uur samen met Tim een Nintendo-spelletje doen. Tim stemde in.

Opeens klinkt uit de zithoek geschreeuw. Sander huilt en scheldt Tim uit voor 'klootzak'. Tim op zijn beurt kijkt Sander kwaad aan en roept 'ik laat me niet slaan'. Groepsleidster Jacqueline van Schaick komt tussenbeide. 'Ga rustig op de bank zitten, jongens.' De jongens doen wat ze gezegd is, en zitten brommend met voorovergebogen hoofd naast elkaar.

'Heel goed dat jullie zo rustig gaan zitten. Sander, kijk me even aan. En jij ook, Tim. Goed dat jullie me aankijken.'

De pruillippen van de jongens verdwijnen, de boze blikken blijven. Sander snikt na.

'Ik vraag nu aan jullie allebei wat er gebeurd is. Als Sander aan de beurt is, moet jij stil zijn, Tim, en andersom hetzelfde. Sander, hoe is het volgens jou gegaan?'

De jongen vertelt hoe ze samen Nintendo speelden en Tim zonder overleg een nieuw spel begon.

'Ik gaf hem een klein duwtje en toen stompte hij mij hard terug.'

'Oké, goed dat je dat op normale toon vertelt, want ik snap dat je het heel vervelend vindt.'

'Tim, klopt dat wat Sander vertelt?'

'Sander wilde niks van de spelletjes die ik wilde. En toen ik wat koos, duwde hij me hard weg.'

'Goed dat je me aankijkt terwijl je dat vertelt.'

'Sander, wat vind jij van Tims verhaal?'

'Hij vroeg helemaal niet wat ik wilde en het was helemaal geen harde duw.'

'Tim, wat vind jij, heb je Sander wel gevraagd welk spel hij wilde?'

Een ontkennend knikje. 'Tim, kijk me even aan, wat zei je?' Er volgt een zacht nee.

'En wat was jullie plan vanmiddag?'

'Samen spelen.'

'Precies, jullie kunnen ook afspreken dat je om de beurt het spel mag kiezen. Is dat geen goed idee?'

De jongens knikken instemmend.

De nieuwe afspraken worden nog eens bevestigd en op dezelfde rustige, geduldige toon bespreekt de groepsleidster met de jongens het tweede deel van het conflict: de duw van Sander en de stomp van Tim. De jongens krijgen onmiddellijk complimenten voor wat ze goed doen, de groepsleidster laat ze hun gedrag benoemen en alternatieven overwegen, herinnert ze aan bestaande en nieuwe afspraken en laat de jongens tot slot wederzijds hun excuses aanbieden en de hand schudden.

Veilig, prikkelarm en voorspelbaar

De behandeling op het pi verloopt volgens het sociale-competentie-model. Kern is het aanleren van sociale vaardigheden die passen bij de ontwikkeling van het kind en die het mogelijk maken om redelijk maatschappelijk te functioneren. Zijn de kinderen thuis meestal negatieve reacties gewend op hun afwijkend gedrag, de groepsleiders op het Paedologisch Instituut geven vooral positieve feedback door te benadrukken wat een kind wél goed doet. De jongens van Charlie Brown missen veel vaardigheden om het dagelijks leven aan te kunnen. Inschatten wat anderen denken en voelen, herkennen van en anticiperen op de emoties van anderen en zichzelf: het valt hun allemaal zwaar. Angst voor een wereld die ze maar voor een klein deel kunnen overzien en beheersen, is hun primaire reactie. In zichzelf terugtrekken, agressie of extreme gespannenheid zijn de uitingsvormen.

'Wie iets met zulke moeilijke kinderen wil beginnen', zegt Lex Stockmann, 'moet ze allereerst een veilige, voorspelbare en prikkel- arme omgeving bieden.' Voor de bewoners van Charlie Brown betekent dat een strakke, vaste dagindeling in eenheden van niet meer dan dertig minuten. De één tot anderhalf jaar dat ze er verblijven, zijn opgedeeld in drie fasen waarin de kinderen langzaam steeds meer vrijheid en zelfstandigheid verwerven. In de eerste fase, gemiddeld een maand of twee, kunnen ze 'bolletjes' en 'vooruitgangspunten' verdienen door positief gedrag en door zich te houden aan de huisregels. Het kind krijgt direct te horen wat het goed en minder goed doet. In de tweede fase, enkele maanden tot een half jaar, proberen de kinderen persoonlijke leerdoelen te bereiken, zoals 'het juiste moment afwachten om iets te vragen of om te praten'(Sander) of 'een meningsverschil kunnen uitpraten' (Tim). De laatste fase staat in het teken van de voorbereiding op de terugkeer naar huis. Gersom, inmiddels in de slotperiode van zijn verblijf op het pi, is bezig met het 'wijde-wereld programma' en heeft net geleerd om zelfstandig in het dorp een boodschap te doen.

Naast het voor alle kinderen min of meer gelijke traject beschikken de groepsleiders over een scala aan programma's die ze per kind kunnen inzetten. Achter titels als 'ik-boek' , 'doos-met-gevoelens', 'remweg' en 'poezenprogramma' gaan methoden schuil om het zelfbesef, het herkennen van emoties, het onderdrukken van impulsen en het doorbreken van rigiditeit te trainen.

Gevangene van je eigen kind

Sinds hun zoon Gersom in leefgroep Charlie Brown woont, is het leven van Marieke en Jaap Hamers drastisch veranderd. Het medisch kleuterdagverblijf, een school voor speciaal onderwijs, een door hen zelf bedacht puntensysteem om zijn gedrag te reguleren: al die bijzondere aandacht kon niet voorkomen dat Marieke en Jaap steeds meer de gevangene van hun eigen kind werden.

Marieke: 'In het weekend sliepen we om de beurt.'

Jaap: 'En 's zaterdags en 's zondags ieder een deel van de dag om het vol te houden.'

Marieke: 'Gersom wilde een heleboel niet eten. Moet je voorstellen: een kind dat in paniek raakt van bloemkool.'

Jaap: 'Alles moest per se van een bepaald merk zijn en appelstroop at hij alleen als je op de pot zette dat het honing was. We konden alleen nog via een omweg met hem communiceren. "Als ik nu dit doe, dan doet hij misschien dat en dan kan ik bereiken datö, zo liep je steeds te denken. De hele dag was je met niks bezig en iedere spontaniteit was weg.'

Marieke: 'Hij vroeg 24 uur per dag je aandacht. Hij wilde, dat jij zag wat hij zag, dat jij hoorde wat hij hoorde. Als je niet meekeek naar een video, riep hij wel wat er te zien was. Hij kon minutenlang staan te gillen op de drempel van de voordeur, omdat hij niet kon kiezen of hij naar binnen of naar buiten wilde.'

Jaap: 'Gersom durfde nergens meer naar toe en dwong ons altijd thuis te zijn. Bezoek ontvingen we niet meer.'

Marieke: 'We hadden hem in een schoolvakantie zes weken aan een stuk thuis en Jaap was een weekje weg voor zijn werk. Tijdens een telefoontje stond Gersom te schreeuwen dat hij de video niet kon horen. Ik rondde dat telefoontje af, vloog twee trappen op met het idee "ik spring van het dak afö. Bovengekomen viel de kruk uit de deur, waardoor ik niet naar buiten kon. Ik begon minutenlang keihard te schreeuwen. Gelukkig kalmeerde ik wat en wist ik een vriendin te bellen. Die hoorde me alleen maar snikken, verbrak de verbinding en stond vijf minuten later voor de deur. Toen ze binnenkwam, zat ik op de bank, terwijl Gersom om me heen sprong met een autootje in zijn hand en "kijk mammieö riep. Hij had totaal niet in de gaten dat ik helemaal doorgedraaid was. Die vriendin heeft ons toen allebei meegenomen.'

Jaap: 'Ik schrok me rot toen ik thuiskwam. Het zag eruit alsof Marieke alles uit haar handen had laten vallen en van het ene op het andere moment verdwenen was.'

Marieke: 'Bij de riagg en de psychiater van het Utrechts Medisch Centrum zeiden we dat we het nog hooguit een jaar vol zouden houden.'

Jaap: 'Ze zagen dat wij helemaal opgebrand waren. Behandeling buiten huis was voor Gersom en ons de enige oplossing. Maar het duurde nog een half jaar voor het zover was.'

Marieke: 'Toen hij vier maanden op het pi zat, zei de psychiater dat hij goed vooruitging en over een maand of acht wel weer naar huis kon. Ik schrok me wild en werd vervolgens hartstikke kwaad op mezelf, omdat ik zoveel moeite had met het idee dat hij weer terug zou komen. Dat heeft nog maanden geduurd.'

Gersom woont nu tien maanden op het pi. De verandering in zijn gedrag is spectaculair. Groepsleidster Jacqueline van Schaick: 'Toen hij hier binnenkwam, was het eerste wat hij zei: "Oh, het stinkt hier, ik wil hier niet wonen!ö Hij kroop onder de tafel, bleef daar liggen en wilde niet eten. Zijn huilen en lachen was vaak nep.' Jaap Hamers: 'De enige manier om Gersom een pilletje te laten slikken, was het verpulveren en het te vermengen met appelsap. Op het pi hadden ze hem in twee dagen geleerd het gewoon in te nemen. Geduldig voordoen, laten zien hoe andere kinderen hun medicijnen nemen, op ieder stapje positief reageren, dat bleek de oplossing. En binnen de kortste keren at hij ook met mes en vork, wat ons thuis nooit lukte. De groepsleiding liet hem oefenen met snijden in een stuk klei, zodat er niet meteen de associatie met voedsel was.' Lex Stockmann: 'Het is een stevig proces geweest om Gersom van heel egocentrisch naar een vorm van sociaal handelen te krijgen. De behandeling is in alle opzichten geslaagd. Gersom is veel minder rigide, zijn sociale vaardigheden zijn toegenomen, impulsregulatie en frustratietolerantie zijn stukken beter.'

Arbeidsvreugde

Anders dan andere jeugdzorginstellingen kampt het Paedologisch Instituut niet met grote personeelstekorten, een hoog ziekteverzuim en een fors verloop. De meeste groepsleiders van Charlie Brown (zeven vrouwen, twee mannen) werken er al jaren en ze doen dat met veel plezier. Jacqueline van Schaick: 'Als je over je werk vertelt, denken veel mensen dat het wel erg zwaar zal zijn. En dat is ook wel zo, maar je krijgt er veel voor terug. De kinderen laten, vaak op onverwachte momenten, zien dat ze je vertrouwen en waarderen. Ze zijn ook veel met je bezig, dat blijkt als je bijvoorbeeld na een vakantie terugkomt.'

Marieke Hamers is niet de enige ouder die met een mengeling van bewondering en jaloezie naar de groepsleiding kijkt. 'In mijn ogen waren de groepsleiders ontzettend veel beter. Ik dacht: hoe kan ik dat ooit evenaren? Hoe kan ik hulpverlener zijn van mijn eigen kind? In het begin ben je natuurlijk argwanend, want je geeft toch de zorg uit handen over het liefste wat je hebt. Ik moest ontzettend wennen aan alle regels en structuur en aan het idee dat wij dat over zouden moeten nemen als Gersom weer thuis is. Maar we voelden elkaar snel aan. Het is voor je kind ook belangrijk te laten zien dat jij als ouder de groepsleiding vertrouwt en zelf van hen wilt leren.'

Niet met alle ouders loopt de samenwerking zo soepel. 'Het werken met de ouders is lastiger dan met de kinderen', zegt groepsleidster Mathilda de Jager. 'De kinderen zijn heel eerlijk over wat ze wel en niet willen, de ouders zijn vaak erg indirect en zijn het ook niet altijd met elkaar eens.'

Laten zien hoe je werkt, niet sturen of willen beïnvloeden. Dat is de kern van de relatie tussen groepsleiding en ouders. In een speciale training leren de ouders dezelfde basistechnieken die de groepsleiding gebruikt in hun omgang met de kinderen. Corrie Laernoes: 'In het begin denken ouders dat ze niets goeds kunnen doen. Hun kind is immers uit huis geplaatst? Bovendien wantrouwen ze de hulpverlening, want die heeft hen en hun kind tot dan niet afdoende kunnen helpen. Als ze zien wat het pi met hun kind bereikt, komt dat vertrouwen meestal terug. En net als bij de meeste kinderen zie je het geloof in eigen kunnen groeien.'

'We vragen veel van de ouders', zegt Lex Stockmann. 'Echt actieve betrokkenheid, veel oefenen met opvoedings- en communicatiemethoden. Niet alle ouders willen dat. Sommigen voelen zich in hun ouderrol bedreigd. Anderen, en dat is voor de ontwikkeling van hun kind nogal schadelijk, accepteren de stoornis niet, blijven ontkennen dat er iets serieus aan de hand is of kunnen er niet openlijk over spreken.'

'We kunnen ze echter voorhouden dat 90 procent van de kinderen weer terug naar huis kan, terwijl eerder een onleefbare situatie bestond. Bij de andere kinderen lukt het niet om duidelijk vooruitgang te boeken. Die gaan naar een andere instelling óf toch naar huis. Ouders willen natuurlijk ook weten wat het effect van het pi op langere termijn is. Daarom zoeken we de ex-pupillen na vijf jaar op. En dan zie je dat het effect meestal blijvend is, al blijft voor deze kinderen een goede ambulante begeleiding en speciaal onderwijs noodzakelijk. Spel-, taal- en motorische ontwikkeling van de meeste kinderen gaan stukken vooruit. We kunnen veel doen aan eet-, plas- en poepproblemen, zaken die in gezinnen voor veel scènes en geruzie zorgen. De zelfverzorging van de kinderen wordt soms spectaculair beter. En hun sociale vaardigheden nemen toe. Het minst kunnen we doen aan de bron van de problemen: de denkstoornissen, de fantasieën, de typische fascinaties.'

Een zwakke plek vormt de nazorg. Nadat hun kind teruggekeerd is naar huis, kunnen ouders incidenteel nog wel een beroep doen op het pi, maar voor ó de vaak noodzakelijke ó structurele begeleiding zijn ze aangewezen op hulpverleners in hun directe omgeving. En die zijn niet altijd vertrouwd met de aanpak van het pi.

Broos evenwicht

Twee maanden later. Er is veel veranderd in Charlie Brown. Gersom is 'met voorgoed'. Niels is overgeplaatst naar een andere leefgroep, omdat zijn problemen toch meer van emotionele dan autistische aard blijken. In hun plaats zijn twee nieuwe jongens gekomen, beiden heel druk en impulsief. Met hun komst is het broze evenwicht tussen de kinderen onderling en tussen groepsleiding en kinderen verstoord. Veel geruzie, schelden en agressie zijn het gevolg, soms moeten twee jongens tegelijk in de stille kamer in bedwang worden gehouden. Een pakket noodmaatregelen moet de rust terugbrengen in huize Charlie Brown.

Met Micky gaat het niet goed. Hij vertoont weer zijn oude 'tics': knarsen met zijn kaken, zijn vingers aflikken, nadat hij daarmee eerst de vloer verkend heeft. Hij huilt veel, is boos en verdrietig. Een groepsleidster: 'Hij is ineens weer een heel klein kind. Het leven is te veel voor hem op dit moment. Alleen als je met hem stoeit, vergeet hij even zijn ellende.' Binnenkort verhuist Micky naar een instelling voor moeilijk lerende kinderen.

Het beeld van Sander is wisselend. 'Wij knuffelen thuis niet. Ik kom gewoon uit een rotgezin', had hij tegen een stagiaire gezegd. Situaties waarin hij afgewezen kan worden, gaat hij uit de weg. De keren dat hij door kinderen in de buurt in elkaar geslagen is, hebben hun sporen nagelaten. Zijn behoefte aan bevestiging lijkt eindeloos, hij babbelt iedereen de oren van het hoofd. Toch ziet de groepsleiding vooruitgang. Sander is spontaner, lichamelijk minder geremd. Zo gaf hij zijn moeder een zoen bij het weggaan en vroeg hij de groepsleiding om een massage. Ook het samenspelen met anderen gaat hem beter af. Zijn preoccupatie met oorlog en soldaten is gebleven.

Gersom doet het goed. Hij gaat naar een school voor speciaal onderwijs en kan veel meer zelfstandig. Angst- en paniekaanvallen zijn makkelijker te bezweren. 'Ik ben nog iedere dag dankbaar voor alles wat ze hem op het pi geleerd hebben', zegt zijn moeder. 'Ik was altijd bang dat hij heel eenzaam zou worden, ik zie nu dat het niet zo hoeft te zijn. We genieten heel erg dat hij weer thuis is. En het belangrijkste: dat geldt ook voor hem zelf. Het is een vrolijker en gelukkiger kind geworden.' M

Om redenen van privacy zijn de namen van de kinderen en hun ouders gefingeerd.

Maurice van Lieshout is publicist.

Erik Christenhusz is groepsleider bij het Paedologisch Instituut in Duivendrecht en freelance fotograaf.

[streamers]

'Voor de meeste ouders is plaatsing van hun kind op het PI zowel een enorme opluchting als een grote teleurstelling.'

'Een kind moet snappen waarom hij op het PI zit, en zijn zusje niet.

We maken duidelijk dat het geen straf is, maar dat we willen helpen.'