Toen de Nieuwe Economie nog geen zeepbel was

Historici breken zich nog steeds het hoofd over de vraag hoe het kleine Nederland zich kon ontwikkelen tot een wereldmacht. Eigen verdienste, de invloed van nieuwkomers, of was hier in de zeventiende eeuw al een informatiemaatschappij ontstaan?

Ooit moet iemand als eerste hebben vastgesteld dat er zich omstreeks 1600 in de nietige delta van Maas en Rijn en in het vlakke, drassige land daarboven iets bijzonders afspeelde. Dat daar een economische en culturele bloei van jewelste op gang kwam, een `new economy', die toch geen zeepbel bleek te zijn. Het was een bloei, die eind zestiende eeuw zichtbaar werd, in de volgende eeuw het predikaat `gouden' kreeg en sindsdien met verwondering en ontzag is gadegeslagen. De Engelse ambassadeur in Nederland, Sir William Temple, omschreef de Republiek der Zeven Provinciën dan ook treffend als `the fear of some, the envy of others, and the wonder of all their neighbours'.

Die verwondering is gebleven. Nog steeds zoeken historici nieuwe verklaringen voor die plotselinge welvaart. Dat echoot na in recente bundels als A Miracle mirrored; the Dutch Republic in a European Perspective (1995). En nu luidt ook de ondertitel van Gouden Eeuw, het vorige week verschenen overzichtwerk van de Utrechtse hoogleraar Maarten Prak, `Het raadsel van de Republiek'.

Hoe je het ook wendt of keert, er was in de Noordelijke Nederlanden vanaf ongeveer 1590 iets bijzonders gaande, een schaalvergroting op elk gebied. De stedelijke bevolking nam toe, het aantal gilden groeide, en de overzeese handel die zich tot dan toe tot de Oostzee, Engeland en Frankrijk uitstrekte, kende binnen vijftien jaar een expansie van mondiale omvang. Niet alleen voeren de Nederlandse schepen nu naar Spanje en Portugal en verder de Middellandse Zee op naar Italië en de Levant, ook bereikten ze West-Afrika, de Caraïben, en zelfs Azië. Nieuwe producten werden ingevoerd en, al of niet industrieel verwerkt, weer uitgevoerd. Typisch Nederlandse goederen als boter, kaas en gekaakte haring vonden op nog grotere schaal aftrek dan voorheen. En de nieuwe staat werd een wereldmacht van formaat.

Er valt een hele lijst van praktische omstandigheden op te stellen waarom het allemaal nu juist niet zo had kunnen lopen. Het spreekwoordelijke `het zeegat uit' was bijvoorbeeld al makkelijker gezegd dan gedaan. Amsterdam lag zeer onhandig. Schepen moesten eerst een lange, gevaarlijk route door de Zuiderzee kiezen om Texel te bereiken, en dan kon het gebeuren dat ze wekenlang moesten wachten op gunstige wind. Het land was zompig en over land slecht begaanbaar.

Staatkundig was er al helemaal geen touw aan vast te knopen. Een jonge, wankele republiek met zeven gewesten die het zelden met elkaar eens waren. Lange en omslachtige besluitvormingsprocedures, ruzies over de belasting die elk gewest moest afdragen, politieke en religieuze verdeelheid binnen de steden, die bovendien elkaars economische concurrenten waren. En dan was dit land ook nog in oorlog met Spanje, de machtigste natie ter wereld. Dat de geschiedenis ondanks zoveel ongunstige omstandigheden, op enkele burgeroorlogachtige episodes na, zo stabiel en welvarend verlopen is, mag inderdaad een wonder heten.

Voordat Amsterdam aan zijn komeetachtige loopbaan begon was het zuidelijke Antwerpen de handelsmetropool met de meeste glans. Toen de Spanjaarden deze stad in 1585 hadden ingenomen en de Nederlanders de Schelde waren gaan blokkeren, konden Noord-Nederlandse steden daarvan profiteren en uiteindelijk werd Amsterdam daarvan de grootste. Dat lag helemaal niet voor de hand. Het had in de ogen van de tijdgenoot ook, of misschien wel beter, Middelburg kunnen zijn. Of Enkhuizen. Of Haarlem. Of Londen. Of Hamburg.

In een rijke en informatieve bundel Urban Archievements in Early Modern Europe worden Antwerpen, Amsterdam en Londen beschreven in hun beste decennia. De steden waren, in deze volgorde, de grootste handelssteden ter wereld. Alle drie boden ze toegang over water naar het binnenland en naar zee, en waren ze belangrijke cultuurcentra. Vooraanstaande Britse, Belgische en Nederlandse historici behandelen de economische en demografische ontwikkeling, de architectuur en ruimtelijke ordening, de schone en toegepaste kunsten, de boekproductie en de wetenschappen. Londen wordt daarbij niet belicht in de Elisabethaanse hoogtijdagen, maar in de periode 1660-1730. Shakespeare komt in dit boek dan ook maar één keer voor.

Hoe informatief de bijdragen ook zijn, de steden zelf en de omstandigheden waarin hun glorie zijn oorsprong vond zijn te complex en te divers om tot veel generalisaties te komen. Toch springen er een paar in het oog. Ze kenden allemaal een snelle bevolkingsgroei, met als positieve kant de komst van hoogopgeleide vaklui en kooplieden met verstand van zaken en kapitaal. De schaduwzijde was het ontstaan van een stedelijk proletariaat. Alle drie steden kweekten daarnaast een tolerant klimaat voor de nieuwkomers, met al hun religieuze en nationale verschillen. Een derde overeenkomst is dat koopkrachtige nieuwe inwoners openstonden voor innovaties, nieuwe ondernemingen en artikelen en voor nieuwe productiemethodes. Een goed voorbeeld was in Nederland te zien op een misschien onverwacht terrein, dat van de schilderkunst. Er kwamen met het oog op de markt nieuwe genres op, en men ontwikkelde nieuwe, snellere en dus goedkopere schildertechnieken. Ook de persoonlijke stijl werd een sterker handelskenmerk. Opvallend genoeg speelt in de periode de wetenschap geen rol; geen van de behandelde steden had een universiteit.

De Amsterdamse economisch historicus Clé Lesger doet in Handel in Amsterdam ten tijde van de Opstand een poging het raadsel van het Amsterdamse succes te verklaren. In deze systematische en leesbare studie zet hij eerst uiteen welke theorieën over het plotselinge succes zijn ontwikkeld. Al lang bestaat het idee dat het Noorden na de val van Antwerpen een beslissende impuls kreeg dankzij de toestroom van duizenden kapitaalkrachtige handelaren en hoog opgeleide vaklieden uit het Zuiden. Daartegenover staat de visie dat het succes juist meer aan Noord-Nederlandse kant te danken is: een hoog ontwikkelde landbouw, vakmanschap in de scheepsbouw en ruime ervaring in vrachtvaart en visserij hebben tot kapitaalaccummulatie geleid.

Dankzij die expertise en het kapitaal, zo luidt deze theorie, en dankzij de extra impuls uit het Zuiden, konden handel, scheepvaart en nijverheid zich uitbreiden en kon geld worden geïnvesteerd in nieuwe ondernemingen, zoals expedities naar Azië en Amerika en de inpoldering van grote meren. Dat werd mede mogelijk gemaakt door de `moderne' situatie op het platteland: feodale verhoudingen ontbraken en er was een gespecialiseerde, marktgerichte agrarische sector ontstaan. De stijgende conjunctuur trok mensen aan van het eigen platteland en uit andere landen, zodat ook de arbeid goedkoop was. Dankzij de lage rente bleef het economisch vliegwiel draaien en kon Amsterdam de andere steden wegconcurreren en `het pakhuis van de wereld' worden, zoals het in de zeventiende eeuw werd genoemd. Amsterdam was de stad waar de kooplieden hun goederen opsloegen en lieten liggen tot ze wisten aan wie ze die zo profijtelijk mogelijk konden verkopen.

Lesger sluit zich noch bij die `zuidelijke' verklaring aan, noch bij die `noordelijke'. Hij poneert een nieuwe theorie. Volgens hem heeft zich omstreeks 1600 een sterke verandering voorgedaan in de onderlinge verhoudingen tussen de Nederlandse handelssteden. In Holland, Zeeland, Brabant en Vlaanderen lagen tientallen steden die hij gateways noemt: steden die een economische schakel vormden tussen het omringende platteland en de rest van de wereld. Elk van die steden kenmerkte zich door specifieke economische activiteiten. Door de opstand tegen de koning van Spanje raakte dit systeen ontregeld en kwam het noorden los te staan van het zuiden. Het hele systeem moest zich daarna reorganiseren en juist in het noorden bleek alleen Amsterdam een superieure rol te kunnen spelen.

Lesger ontkent met die benadering niet de `moderne' economische omstandigheden in het noorden, en ook niet de invloed van de Zuid-Nederlandse nieuwkomers. Maar hij legt de nadruk meer op het belang van de internationale netwerken die de nieuwkomers met zich meebrachten en op hun grote neiging tot innoverende ondernemingen. Bovendien meent hij, anders dan het klassieke beeld wil, dat Amsterdam geen wereldstapelmarkt was. In plaats daarvan stelt hij dat de stad eerder onderdeel uitmaakte van een serie steden die allemaal een stapelfunctie hadden. Overal in Europese havensteden lagen goederen te wachten op verkoop en transport. Amsterdam was daar wel de belangrijkste van, omdat juist daar de aan- en verkoopbeslissingen werden genomen.

Maar als dit zo is, vraag je je af, hoe heeft Amsterdam die positie dan weten te verwerven?

Lesger komt hier met een origineel idee dat twintig jaar geleden bij geen historicus zou zijn opgekomen. Amsterdam was, zegt hij, een `informatiestad'. Het was geen stapelmarkt van goederen, maar van informatie. Hij behandelt allerlei vormen van informatieverwerving en -distributie, zoals het maken van zeekaarten, de bloei van uitgeverijen, het ontstaan van het postverkeer, de uitvinding van de krant. En hij beschrijft de plaatsen waar zakennieuws werd uitgewisseld (de beurs, de Wisselbank, uitgeverijen, op veilingen, aan de haven, in de trekschuit, in de kroeg). Deze concentratie van informatie verklaart volgens Lesger waarom Amsterdam de primus inter pares onder de gateways was en ook waarom de stad minder een stapelmarktfunctie hoefde te vervullen dan historici doorgaans menen.

Het is een sluitende en interessante theorie. Maar als ik het goed zie wordt het informatieargument de ene keer gebracht als verklaring van het succes van Amsterdam omstreeks 1600 en de andere keer als een kenmerk van het economisch bedrijf in deze stad. Wanneer het een verklaring is, vraag je je af waarom juist in Amsterdam al die informatie vergaard werd. En als het een kenmerk is, waarom hebben concurrerende steden dan niet ook bliksemsnel zulke nieuwscentra opgericht? Trouwens, ook Londen kende zijn beurs en had kranten en kroegen. En als het stapelmarktkarakter in het succes van Amsterdam niet zo'n rol speelde, waarom dan toch al die pakhuizen en al die stapels hout die je op oude kaarten aan de kades ziet liggen?

De bovengenoemde boeken zijn specialistische, maar goed leesbare studies. Ze staan in een niet aflatende stroom van historische boeken en artikelen over de zeventiende eeuw. Kenmerkend is de grote aandacht voor economie, religie en kunstproductie; van een ouderwets nationalistische, verzuilde of historisch materialistische aanpak is weinig meer te merken. Ook niet in het nieuwe overzichtswerk dat nu is verschenen voor een breed publiek: Maarten Praks Gouden eeuw. In vier delen behandelt hij heel overzichtelijk de staatkundige geschiedenis, de economische en sociale ontwikkeling, de binnenlandse politiek en een min of meer cultureel laatste deel met godsdienst, schilderkunst en de stedelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Telkens laat hij zien hoe oude ontwikkelingen vruchtbaar samengingen met moderne tendensen.

Ook Prak behandelt de uiteenlopende verklaringen voor de bloei van de Republiek. Zijn oordeel over het wonder van de Republiek is dat het misschien wel juist dankzij die losse staatsstructuur zo goed is gegaan. Hij noemt de politieke situatie `een werkbare eenheid', waar men `met kunst en vliegwerk, voldoende eenheid' wist te smeden voor een doeltreffende buitenlandse politiek. Een belangrijk aspect is ook het begrip `vertrouwen'. Dankzij de kleinschaligheid van de stedelijke samenlevingen kende men elkaar goed. Zo kon een vorm van vertrouwen ontstaan, waardoor burgers gemakkelijk geneigd waren om gezamenlijk in een project te stappen of geld te lenen aan de overheid. Ze wisten hoe bonafide de stad of het gewest was. Het bestuur was relatief efficiënt en dat alles stond borg voor een goed ondernemersklimaat. En anders dan bijvoorbeeld Spanje is het land niet over de kop gegaan.

Een laatste hoofdstuk gaat in op het einde van de bloeitijd van de Republiek. Daar duikt een factor op die zowel opkomst als ondergang van de Republiek mede verklaart en die de Nederlanders niet in de hand hadden: de internationale politieke verhoudingen. Een van de externe factoren die de opkomst mogelijk maakten, was de politieke en religieuze verdeeldheid van Frankrijk en Engeland. Maar aan het eind van de zeventiende eeuw was Frankrijk zover gecentraliseerd en militair oppermachtig geworden, dat de Republiek zich maar met moeite kon verweren. Uitgeput door oorlogen, stond het land aan de rand van het faillissement. We zien dan zich het omgekeerde proces afspelen als in de hoogtijdagen: de bevolkingsomvang stagneert of loopt zelfs terug, vakmensen emigreren en overheidsschulden rijzen de pan uit. `De republic is in een slegte staet en dat weet men buitenslands maer al te wel', stelde de Nederlandse ambassadeur in Londen in 1715 vast.

Prak is erin geslaagd de overvloedige literatuur, ook de meest recente, in driehonderd pagina's op een knappe, evenwichtige wijze tot een geheel te verwerken. Zijn boek is zakelijker en beter onderbouwd dan Simon Schama's Embarrassment of Riches en compacter dan Jonathan Israels The Dutch Republic, een werk van duizend bladzijden (dat een veel langere periode beslaat). Het bestrijkt weer een veel langere tijd dan het twee jaar geleden verschenen en dubbel zo dikke 1650. Bevochten eendracht van Willem Frijhoff en Marijke Spies. Maar daarin wordt wel veel meer aandacht aan cultuur (onderwijs, universiteiten, aan literatuur en aan de Nederlandse mentaliteit) besteed dan Prak doet. Zijn boek is een uitstekende introductie, ook al omdat het een beredeneerde literatuurlijst bevat, die helpt om verder te lezen. En om een eigen antwoord te vinden op de vraag wat nu precies het juiste recept is voor een Gouden Eeuw.

Patrick O'Brien (ed.): Urban Archievement in Early Modern Europe. Golden Ages in Antwerp, Amsterdam and London. Cambridge University Press, 361 blz. E81,45

Clé Lesger: Handel in Amsterdam ten tijde van de Opstand. Kooplieden, commerciële expansie en veranderingen in de ruimtelijke economie van de Nederlanden ca. 1550-ca.1630. Verloren, 296 blz. E28,

Maarten Prak: Gouden Eeuw. Het raadsel van de Republiek. SUN, 341 blz. E22,50