Telefoontaps onzorgvuldig

In de zaak S.E. Fireworks is één aspect onderbelicht gebleven: de systematische telefoontaps van de gesprekken tussen de beide verdachten en hun advocaten.

De uitspraak van de rechtbank in Almelo tegen de beide directeuren van het vuurwerkbedrijf S.E.Fireworks in Enschede had een belangrijke juridische subplot: de manier waarop het openbaar ministerie bij het onderzoek is omgesprongen met de gesprekken tussen de advocaten in deze zaak en hun cliënten.

De rechtbank had daarop bij het begin van het proces zoveel kritiek dat het er zelfs even naar uitzag dat de hele zaak niet zou doorgaan.

Het openbaar ministerie op zijn beurt was verongelijkt over de ophef. Iedereen had het maar over het ,,afluisteren'' van vertrouwelijke gesprekken tussen advocaat en cliënt, een grove inbreuk op een wettelijk verankerd beroepsgeheim. De zogeheten Wet BOB (bijzondere opsporingsbevoegdheden) uit 1999 heeft de bakens echter verschoven en staat de telefoontap toe, ook als het om gesprekken met een raadsman gaat. Daarbij behoort het automatisch vastleggen van gesprekken tussen verdachte en raadsman.

De nieuwe regelgeving zegt echter ook dat de officier van justitie die de leiding heeft van het onderzoek, de vertrouwelijke bijvangst ,,terstond'' dient te laten vernietigen. In deze vernietigingsplicht was het OM in Almelo volgens de rechtbank tekortgeschoten.

Het zou uiteindelijk slechts een van de redenen worden die hebben geleid tot de opzienbarende strafvermindering voor de twee directeuren van S.E.Fireworks.

Toch verdient de fout van het Almelose openbaar ministerie wel degelijk ophef.

De wetgever heeft de verantwoordelijkheid van de officier bij de telefoontap juist benadrukt. Vroeger gebeurde het tappen onder regie van een onderzoeksrechter, de rechter-commissaris. Nu komt het aan op de officier van justitie. Het is op zichzelf al vreemd dat deze zijn tegenpartij – de advocaat – in de kaarten kan kijken. Dat is een inbreuk van het internationaal vastgelegde beginsel van `equality of arms' tussen beide partijen.

Het minste is dan wel dat de officier scrupuleus de hand houdt aan de wettelijke plicht om beschermd materiaal te vernietigen. Het gaat daarbij overigens niet alleen om telefoontaps maar ook om andere geheime opnamen en om stelselmatige observatie.

Gesteund door de Nederlandse Orde van Advocaten heeft een aantal advocaten vorig jaar december al een geding aangespannen tegen de staat. De gang van zaken in Almelo is geen incident, zo betoogden zij. Zij eisten directe vernietiging van alle beschermde tapgegevens die nog rondslingeren.

De president van de Haagse rechtbank wees deze eis in zijn geheel af met het nogal gezochte argument dat er nog gegevens uit oude zaken kunnen zijn waarvoor niet de officier van justitie maar een rechter-commissaris verantwoordelijk is. Hem heeft de staat niets te bevelen.

Of het probleem structureel was, zei de Haagse rechter niet te kunnen zeggen. Het ministerie van Justitie betwist dit in elk geval.

De rechter kon er echter niet omheen dat de strafbalie reden tot zorg heeft en sommeerde het ministerie ,,er in elk geval voor de toekomst zorg voor te dragen dat de uitvoering van de regelgeveving aangescherpt wordt''. Dat is een instructie geworden van de top van het OM die juist in de week van het Almelose vonnis van kracht werd.

Een aantal strafrechtadvocaten blijft er echter een hard hoofd in houden. De Maastrichtse advocaat Taru Spronkem, tevens docent strafrecht aan de Universiteit Maastricht, heeft met steun van 113 collega's een klacht tegen Nederland ingediend bij Europees Hof voor de mensenrechten in Straatsburg. Taru Spronkem betoogt dat de toepassing van de Wet BOB een ontoelaatbare inbreuk vormt op de vrijheid van de advocaat die zelf geen verdachte is.