Sterker door repressie

De ineenstorting van het Talibaan-bewind betekende een rampzalige tegenslag voor alle radicale moslims in Centraal-Azië. De Pakistaanse journalist Rashid brengt hun motieven en strategieën haarscherp in beeld.

Er is sinds 11 september onnoemelijk veel geschreven over Afghanistan en de Talibaan. Veel kariger kwam de opmars van de islam in Afghanistans buurlanden in Centraal-Azië er vanaf. Uitgerekend de Pakistaanse journalist Ahmed Rashid, die in zijn voortreffelijke Taliban van twee jaar geleden veel nieuwe informatie over de Afghaanse bebaarde fundamentalisten bloot legde, brengt hierin nu verandering met een boeiend boek over de radicale islam in de streken ten noorden van Afghanistan.

Het is in veel opzichten het complement bij Rashids vorige boek, want etnisch, religieus en cultuur-historisch zijn de overige Centraal-Aziatische landen nog altijd nauw met Afghanistan verweven. De overheersing van Rusland en later de Sovjet-Unie in de gebieden ten noorden van de Amu Darya-rivier leek daaraan goeddeels een einde te hebben gemaakt, maar Rashid toont aan dat die banden juist de laatste jaren weer veel hechter zijn geworden.

Ironisch genoeg droeg juist de Sovjet-invasie en het moedige verzet van de mujahedeen in Afghanistan na 1979 bij tot een groter bewustzijn van de gemeenschappelijke achtergrond. Centraal-Aziaten volgden met afschuw het optreden van het Rode Leger. Een andere wrange factor, die beide kanten bindt is de heroïne-handel. Veel van de Europese heroïne stamt ook uit deze regio.

Daarnaast ontstonden er de laatste jaren innige betrekkingen tussen de Talibaan en radicale islamitische groeperingen die aan de andere kant van de grens opereerden. Volgens Rashid was ook Osama bin Ladens Al-Qaeda-netwerk deze groepen regelmatig behulpzaam.

Gewapend met zijn grote kennis van de islamitische wereld kijkt Rashid met een andere bril naar de regio dan de meeste auteurs. Als Pakistaan was het voor hem makkelijker dan voor Westerse collega's om toegang te krijgen tot leiders en aanhangers van de vaak clandestien opererende nieuwe islamitische organisaties, die de laatste jaren her en der in Centraal-Azië zijn opgedoken.

Dat verschaft soms interessante inkijkjes in de (bekrompen) wereld van de lokale guerrilla-strijders, die overigens vooralsnog bij lange na niet zo talrijk en invloedrijk zijn als de Talibaan in Afghanistan waren. Het ging de afgelopen jaren hooguit om enkele duizenden actieve strijders. De grote vraag is intussen hoeveel er daarvan na de snelle val van de Talibaan nog van over zijn.

Roofbouw

En juist hier laat Rashid ons in de steek. Zijn boek is vorig najaar haastig afgesloten otoen de Amerikaanse strijd tegen de Talibaan nog in volle gang was. Dat is spijtig want de lezer vraagt zich voortdurend af of nog geldt wat hij beschijft. Hebben we een geschiedenisboek voor ons of een beschrijving van de actuele toestand? Vanwaar die haast? Is de auteur het slachtoffer geworden van een opdringerige uitgever, die er op uit was Rashids plotselinge roem snel te gelde te maken?

Hoe het ook zij, de lezer zou met enig geduld gebaat zijn geweest. De ineenstorting van het Talibaan-bewind en de ontreddering in de Al Qaeda-gelederen betekenden immers een rampzalige tegenslag voor alle radicale moslims in Centraal-Azië. Niet alleen kregen die actieve steun van de Talibaan, ook diende Afghanistan als een handige uitvalsbasis voor hun guerrilla-acties. Die faciliteiten vielen na november weg.

Bovendien konden hun grote tegenstanders, de Oezbeekse president Islam Karimov en zijn collega's van Tadzjikistan, Kirgizië, Kazachstan en Turkmenistan, na 11 september juist op veel meer militaire en economische hulp rekenen van het Westen dan voorheen. Ook was datzelfde Westen bereid een oogje toe te knijpen voor schendingen van de rechten van de mens, zeker wanneer het ging om de aanpak van mensen die van banden met militante groepen werden verdacht. Op steun van Rusland, China en Iran hoefden de (soenitische) radicale moslims ook al niet te rekenen. Kortom, ze staan er sinds vorige herfst op het eerste gezicht belabberd voor.

Dit betekent niet dat we Rashids nieuwe boek ter zijde kunnen schuiven. Daarvoor bevat het veel te veel interessants. Helder legt Rashid uit dat de guerrillastrijders opereren op vruchtbare bodem, vooral voor de Islamitische Beweging van Oezbekistan (IBO) onder leiding van de geheimzinnige maar naar verluidt charismatische Juma Namangani, bijgenaamd Jumaboi. Dat komt in de eerste plaats doordat de islam in Centraal-Azië, vooral in Oezbekistan, Tadzjikistan en Kirgizië, een ware wedergeboorte beleeft. In de iets verdraagzamere eindfase van het Sovjet-rijk was die al begonnen en in de beginjaren van de onafhankelijkheid na 1991 ging die op volle kracht door. In een land als Tadzjikistan (4,5 miljoen inwoners) kwamen er alleen al tussen 1990 en 1992 duizend moskeeën bij, meer dan één per dag. In de etnische lappendeken die Centraal-Azië is, vormde de islam een belangrijk bindmiddel.

Tegelijkertijd belandden de nieuwe staten in een diepe economische crisis, nog verergerd door het vertrek van honderdduizenden goed opgeleide Russen. De roofbouw, die de Sovjet-Unie op het gebied had gepleegd via de massale verbouw van onder meer katoen en het verstoren van de loop van rivieren, eiste zijn tol. De katoenoogst daalde zienderogen en hetzelfde gold voor de inkomens van de bevolking, die toch al niet riant waren geweest. In het Ferganadal, de vallei die deels door Oezbekistan, Tadzjikistan en Kirgizië loopt, is de werkloosheid opgelopen tot ruim 60 procent.

De autocratische politieke leiders van de nieuwe staten, veelal voormalige partijbonzen uit de communistische tijd, piekerden er intussen niet over economische, laat staan politieke hervormingen door te voeren. Ze vreesden dat die hun positie zouden kunnen ondermijnen. Alleen Kirgizië kende in het begin enige vrijheid, maar mede onder druk van aartsautocraat Karimov van Oezbekistan kwam daaraan spoedig een einde. De afgelopen jaren zijn er alleen in Tadzjikistan, na een verwoestende burgeroorlog, enigszins eerlijke verkiezingen gehouden.

Bomaanslagen

Met speciale afkeer zagen Karimov en consorten hoe islamitische organisaties actief probeerden te worden in hun land. Meedogenloos probeerden ze deze te onderdrukken, wat de populariteit van deze groepen snel deed toenemen. Dit is ook de centrale stelling in Rashids boek. `Hun huidige succes is vooral te danken aan de onderdrukking van de kant van de Centraal-Aziatische staten, die hen tot martelaren maakt, en aan de incompetentie waarmee ze die repressie uitvoeren', schrijft hij.

Om welke islamitische groepen gaat het? Rashid onderscheidt drie hoofdstromingen. De eerste was vooral in Tadzjikistan geconcentreerd: de Islamitische Wedergeboorte Partij (IWP). De IWP stelde zich ten doel de islam te verspreiden en bepleitte een spiritueel reveil. Ook zette ze zich nadrukkelijk in voor de onafhankelijkheid van Tadzjikistan. De partij, die snel zeer populair werd, raakte al spoedig slaags met de zittende regering en nam vervolgens tot de tweede helft van de jaren negentig deel aan de bloedige burgeroorlog.

Nadat er een vredesakkoord was bereikt, werden er in 2000 verkiezingen gehouden. Interessant was dat de IWP slechts 7,5 procent van de stemmen kreeg. Desondanks werd de partij in de nieuwe regering opgenomen, waarna ze snel verder aan populariteit inboette. Volgens Rashid omdat de partij behalve haar islamitische boodschap weinig concreets had te bieden voor de problemen van het door oorlog verwoeste land. Het geval van de IWP toont daarmee aan hoe de dreiging van de radicale moslims eventueel kan worden ontzenuwd.

Heel anders is de positie van de Hizb ut-Tahrir al-Islami (HT, de partij van de islamitische bevrijding). Deze werd al in 1953 opgericht in Saoedi-Arabië en Jordanië door Palestijnen. Het is eigenlijk meer een beweging dan een partij, die ernaar streeft alle moslims wereldwijd onder één gezag te verenigen, een oude droom van veel moslims. Ze gelooft niet in het gebruik van geweld en verkondigt vooral de invoering van de shari'a, het islamitisch recht.

De beweging kreeg in de jaren negentig snel veel aanhangers, juist ook in de steden, met name in Oezbekistan. Ze moest echter al snel onderduiken. Kleine mobiele cellen verspreiden krantjes, video's en ander propagandamateriaal. Het is echter ook voor Rashid moeilijk om de invloed van HT precies te peilen.

De laatste stroming, die hij uitvoerig bespreekt en die het meeste tot de verbeelding spreekt van moslims in Centraal-Azië (de overgrote meerderheid van de bevolking), is de IBO van `Jumaboi'. Deze is van recenter datum en schuwt geweld niet. Als enige geeft ze een gewelddadige uitleg aan de jihad, die door veel anderen slechts wordt beschouwd als de plicht van elke moslim om een betere moslim te worden. In februari 1999 gaf ze voor het eerst haar visitekaartje af met zes bomaanslagen in Tasjkent, die waren gericht tegen president Karimov. Vervolgens was het elke zomer op andere plaatsen in Oezbekistan raak. Ook trok de IBO vanuit zijn uitvalsbasis in het noorden van Afghanistan Tadzjikistan en Kirgizië binnen. Jumaboi's strijders zijn goed getraind en gedisciplineerd. Ze betalen de lokale bevolking altijd netjes voor alles wat ze nodig hebben, waardoor ze zich snel populair maakten. Hun geld komt deels uit de drugshandel.

Mystieke band

Hoewel het niet om zeer grootschalige acties van de IBO ging, reageerden de leiders van de drie landen in paniek. Karimov beschuldigde de twee andere landen ervan niet hard genoeg op te treden en hij liet uit woede hierover zelfs enige tijd de gas-pijpleiding naar de hoofdsteden Doesjanbe en Bisjkek afsluiten.

De kracht en tegelijk de zwakte van de islamitische groeperingen, vooral de HT en de IBO, is dat ze op de steun van veel buitenlandse islamitische landen en organisaties kunnen rekenen, uiteenlopend van de Pakistaanse geheime dienst tot talrijke Saoedische organisaties en de Talibaan in Afghanistan. Daardoor ontbreekt het hun niet aan middelen. Hun buitenlandse beschermheren verlangen echter ook dat ze hun eigen strenge soenitische islamitische waarden uitdragen. Hierin ligt tegelijkertijd een essentiële zwakte van de huidige islamitische beweging in Centraal-Azië, zoals Rashid aantoont. Met hun ideeën sluiten ze niet goed aan bij de belevingswereld van de Centraal-Aziaten. Niet alleen zijn die vaak heel behoorlijk opgeleid en voelen ze niets voor oeroude Arabische waarden, maar ook waren zij vanouds meer gericht op de sufi-islam, waarbij de gelovige een directe, mystieke band met Allah zoekt. Ook de verering van vooraanstaande sufi's, een gruwel in de ogen van de Saoedische sufi's, was en is in Centraal-Azië heel gebruikelijk. Hun vorm van islam is bovendien veel toleranter dan bij voorbeeld het Saoedische wahabisme. Ook het wegdrukken van de vrouw uit het openbare leven staat de meeste Centraal-Aziaten eigenlijk helemaal niet aan.

Dat de islamitische groepen desondanks op veel steun kunnen rekenen bij de bevolking is volgens Rashid dan ook in de eerste plaats te danken aan de repressie door de autocratische machthebbers. Of in de woorden van Rashid: `De echte crisis in Centraal-Azië ligt bij de staat, niet bij de opstandelingen.'

Ahmed Rashid: Jihad, the rise of militant islam in Central Asia. Yale University Press, 281 blz, E31,87. De Nederlandse uitgave `Jihad', vertaald door Pieter Bijker, verschijnt binnenkort bij Atlas, E23,50