Soldaten in zorg

Dreigt deze zomer een dijkdoorbraak in de zorg? Is de waterstand in de verpleeghuizen tijdens de vakantiemaanden zo hoog dat het leger moet worden ingezet? Het lijkt er waarachtig op. De Tweede Kamer voelt voor het voorstel van PvdA en VVD om soldaten in te zetten. Staatssecretaris Vliegenthart (PvdA, Welzijn) twijfelt, maar is bereid de optie te bespreken met collega Van Hoof van Defensie.

Het zou naar Nederlandse maatstaven een ongekend precedent zijn. Militairen plegen hier alleen te worden opgeroepen voor civiele taken als de dijken op springen staan en er zandzakken moeten worden gesjouwd, of als er voor het jaarlijkse Bevrijdingsconcert in Amsterdam pontons op de Amstel moeten worden gelegd. In Rusland en menig derdewereldland is het normaal dat soldaten in de herfst de oogst binnenhalen. In Nederland gelukkig niet. De benodigde hospitaalsoldaten zijn overigens schaars.

Het geopperde idee om de verloven in te trekken moet dan ook niet al te serieus worden genomen. De suggestie van de PvdA wekt de indruk een vlucht naar voren te zijn of, cynischer, een schijnbeweging in de verkiezingscampagne. In de aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen gaat het immers om de toekomst van het publieke domein. Na acht jaar voorspoed in de private sector is de toestand van de (semi)overheid hét thema in de campagne. Uitgedaagd door de oppositie binnen en buiten het parlement draait het om de wachtlijsten, het tekort aan artsen en verpleegkundigen, de desertie van leraren die hun heil elders zoeken, de punctualiteit van de treinen, de effectiviteit van de politie en de dienstbaarheid van de ambtenarij in het algemeen.

De wachtlijsten in de verzorgings- en verpleeghuizen zijn een lakmoesproef. Een beschaafde natie wordt immers mede herkend aan de wijze waarop ze met haar ouderen omgaat. Het valt niet te ontkennen dat de aandacht voor de zorg, zowel de zogeheten `cure' als `care', de afgelopen acht jaar onder het bewind van minister Borst van Volksgezondheid te wensen heeft overgelaten. Niet zozeer in materiële zin. De bewindsvrouw heeft tegen het einde van haar ambtsperiode in de ministerraad veel extra financiële middelen (van 23,5 miljard in 1994 tot 37,3 miljard nu) en arbeidskrachten (van ruim 800.000 werknemers in 1994 tot meer dan een miljoen nu) binnengesleept. Zelfs het ziekteverzuim is iets afgenomen. Dat er door de tegelijkertijd stijgende vraag naar zorg nog geen evenwicht is bereikt, kan Borst amper euvel worden geduid.

Anders ligt het als het gaat om het ambitieniveau van de minister. Vanaf de allereerste dag op het departement heeft ze zich gehoed voor daadkracht, omdat de gezondheidszorg volgens haar niet één, maar talloze regisseurs heeft. Gevolg is dat de sector wordt overwoekerd door zelfstandige bestuursorganen en andere `quasi-autonome non-gouvernementele organisaties' die het macrobeleid van de regering op microniveau kunnen maken of breken. Anders gezegd, als er al een minister voor Volksgezondheid is, dan is dat eerder voorzitter Wiegel van de koepel Zorgverzekeraars Nederland dan minister Borst.

Het is aan de volgende bewindslieden om deze machtsposities tot reële proporties terug te brengen, zodat weer duidelijk wordt wie waarvoor verantwoordelijk is. Het leger kan de regering daarbij niet helpen.