Risico relatie neef-nicht klein

Neven en nichten die met elkaar kinderen krijgen, hebben anderhalf tot hooguit tweemaal meer kans op nageslacht met een ernstige genetische ziekte of zwakzinnigheid dan niet-familieleden. Dit extra risico voor neven en nichten is vergeleken met andere gezondheidsrisico's vrij klein, aldus prof.dr. Arno Motulsky, hoogleraar genoomwetenschappen aan de Universiteit van Washington. Hij is één van de onderzoekers die zes kleinere onderzoeken bundelden naar huwelijken tussen neven en nichten, gehouden van 1965 tot 2000, zodat hieruit statistisch harde conclusies konden worden getrokken. Het verslag is gisteren gepubliceerd in het Journal of Genetic Counseling.

Erfelijkheidsvoorlichters die mensen uit risicogroepen met kinderwens inlichten over risico's zijn gewend aan kansen op een ziek kind van 25 tot 50 procent. In de `gewone' bevolking is de kans op een ernstig ziek kind ongeveer 3 tot 4 procent. Bij neven en nichten is die kans verhoogd tot 4,5 à 7 procent. Voor genetische adviseurs is dit een kleine kans en voor hen is het geen reden om ouders voor te houden dat ernstige problemen dreigen.

Ondanks de zegswijze `neef en nicht vrijt allicht', die suggereert dat neven en nichten makkelijk seksuele relaties aangaan, rust er in Nederland een taboe op een huwelijk tussen neef en nicht. Verboden is het niet. In Nederland zijn alleen huwelijken tussen ouder en kind, en tussen broers, zussen en tussen broer en zus verboden. In de Verenigde Staten is een huwelijk tussen neef en nicht in 24 van de 50 staten verboden, terwijl zeven staten eerst een genetisch advies verplicht stellen voordat het huwelijk mag worden gesloten.

De kans op een ziek kind mag voor onderling voortplantende neven en nichten kleiner zijn dan gedacht, maar het effect is in de bevolking wel zichtbaar. Prof.dr. T. Schulpen, hoogleraar sociale kindergeneeskunde aan het Universitair Medisch Centrum in Utrecht, maakte eind januari bekend dat de sterfte onder kinderen van Turkse en Marokkaanse afkomst in Nederland nog steeds tweemaal zo hoog is als onder autochtone Nederlanders. Dit komt vooral doordat huwelijkspartners nog steeds uit de dorpen van herkomst worden gehaald, waar al eeuwenlang onderling wordt getrouwd, niet zelden met een neef of nicht. Schulpen stelt vast dat erfelijkheidsvoorlichting in Turkije en Marokko wel wordt gegeven, maar dat die de allochtonen in Nederland niet bereikt.