Postmodernisme

De tijd van de autonome literatuur is voorbij doordat de commercie meer en meer belang lijkt te krijgen in de literatuur, zo stelt Arnold Heumakers in zijn eerste Verwey-lezing (Boeken, 08.03.02). Heumakers gaat in zijn lezing echter voorbij aan een van de belangrijkste literaire verschuivingen. Het postmodernisme heeft namelijk de door Heumakers beschreven tweedeling in l'art pour l'art en geëngageerde kunst al doorbroken. Het bevraagt de kaders waardoor wij naar de wereld kijken en maakt de lezer of toeschouwer bewust van de vanzelfsprekendheid waarmee de wereld geordend wordt, terwijl die ordening tamelijk arbitrair is. Dit gebeurde al eerder, maar zette pas goed door in de jaren zeventig. De geringe aandacht in combinatie met het stugge proza van de meeste experimentele schrijvers, heeft in de jaren zeventig niet tot een postmoderne doorbraak in de Nederlandse letteren geleid. Toch zijn de gevolgen van wat in die tijd begonnen is ook nu nog voelbaar.

De esthetische autonomie is door schrijvers als Peter Verhelst, Stefan Hertmans en Dirk van Bastelaere in feite al van tafel geveegd. Zij laten zien dat het heel goed mogelijk is literatuur te schrijven die noch l'art pour l'art aanhangt, noch in traditionele zin geëngageerd is. Zij laat onder andere de mogelijkheden en de macht van de taal zien. Zij is kritisch en subversief en brengt daardoor een verbinding aan tussen leven en literatuur. Niet door een standpunt te kiezen zoals de geëngageerde literatuur van weleer, maar door het in twijfel trekken van bestaande categorieën. Hierdoor tast zij de tweedeling en daarmee de positie van de autonome kunst aan. De vraag zou dus niet moeten zijn of er een paradigmawisseling in de visie op literatuur aan zit te komen, maar hoe het komt dat die wisseling in Nederland zo weinig zichtbaar is. Wellicht heeft de commercie daar iets mee te maken.