Opinies van een patriot

Zoals met zoveel achttiende-eeuwse schrijvers het geval is zou ook de naam van Pieter 't Hoen vergeten zijn, ware het niet dat Frans Goedhart vanaf 1940 onder dit pseudoniem een illegale nieuwsbrief uitbracht, die later Het Parool zou worden. Goedhart had die naam niet voor niets gekozen. 't Hoen (1744-1828) was immers een bevlogen patriotse journalist die zich krachtig inzette voor de politieke emancipatie van de burgerij en een democratisch staatsbestel. Hij streefde vrijheid van meningsuiting na en vond dat het volk recht had zich te verzetten tegen onderdrukking en corruptie. Toen de strijd in 1787 beslecht werd ten voordele van de orangisten, werd zijn blad De Post van den Neder-Rhijn onmiddellijk verboden.

In het proefschrift van Peet Theeuwen, Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rhijn (1781-1787), staat dit tijdschrift centraal. Dat wordt door het Persmuseum ten onrechte aangeduid als het eerste opinieblad van Nederland. Opiniërend was het anti-orangistische verzetsblad zeker, Theeuwen toont overtuigend aan dat het zeker niet het eerste opinieblad in de Republiek was. Eén van de misverstanden met betrekking tot de tolerante houding van de Nederlanden, betreft de vrijheid van meningsuiting. Die was zeer betrekkelijk. Over politiek bijvoorbeeld mocht niet worden geschreven, al verschenen er regelmatig nieuwe periodieken met een politieke inhoud. Pas toen in de tweede helft van de achttiende eeuw de orangisten en patriotten elkaar met vuist en pen bestreden, nam de politieke opiniepers een hoge vlucht.

Zo verscheen reeds vanaf 1767 – weliswaar in het Frans en geschreven vanuit het Pruisische Kleef, maar duidelijk bedoeld voor oranjegezinde lezers in de Nederlanden – Le Courier du Bas-Rhin. Dit blad had 't Hoen duidelijk voor ogen toen hij een naam moest verzinnen voor zijn eigen blad. Het bleek ook voor anderen een dankbare titel, getuige de orangistische reactie De Post naar de Neder-Rhijn en de patriotse navolging De Courier van de Neder-Waal.

Wie wegwijs wil raken in alle politieke uitgaven die vanaf de jaren tachtig van de achttiende eeuw verschenen, dient niet alleen over kennis van zaken te beschikken, maar ook over uithoudingsvermogen en boekhoudkundige gaven. Gelukkig is dat alles bij Theeuwen het geval. Geen bron laat hij onvermeld. Daarin schuilt tevens het manco van zijn studie. Uitvoerig laat hij auteurs aan het woord; waardoor we pagina's lang discussies kunnen volgen over de controverses uit die dagen. Dit had wel beknopter gemogen, vooral omdat hij veelvuldig gebruikmaakt van de oubollige wij-vorm. Voor het overige is het een boeiende studie geworden naar een van de interessantste tijdperken van de Nederlandse geschiedenis: een tijdperk dat helaas de geschiedboekjes in gaat als `de pruikentijd'.

P.J.H.M. Theeuwen: Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rhijn (1781-1787). Een bijdrage tot kennis van de Nederlandse geschiedenis in het laatste kwart van de achttiende eeuw. Verloren. 842 blz. E69,–