Ons leest ons

Hoogleraar Lisa Kuitert stelde de `subsidieschrijver' aan de kaak, die verliteratuurde boeken schrijft voor een kringetje van beroepslezers. Toch wordt de hedendaagse schrijver steeds zakelijker en mediagenieker. Ook de wens om een groot publiek te behagen, levert veel slechte boeken op.

De subsidieschrijver is ontdekt. Hij bouwt gestaag aan een oeuvre van serieuze, gerespecteerde literatuur, wordt geprezen door de mensen die ervoor doorgeleerd hebben. Er is alleen één klein probleem: zijn boeken zijn doorgaans onleesbaar. En onverkoopbaar.

Deze droevige figuur betrad de Nederlandse taal in De waarde van woorden. Over schrijverschap, de oratie die Lisa Kuitert, hoogleraar boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, vandaag twee weken geleden uitsprak. Prompt stond de subsidieschrijver in het middelpunt van de literaire belangstelling, als symbool van een in zichzelf gekeerde literaire wereld. Want de enigen die zijn boeken mooi vinden zijn de critici en de subsidiegevers van het Fonds voor de Letteren. Waarbij die laatsten zich weer door dezelfde recensenten laten adviseren, zodat er een incestueuze cirkel ontstaat waarin het wemelt van de `verliteratuurde boeken' waar geen normale lezer iets om geeft.

De commotie nam alleen nog maar toe toen Kuitert er in interviews met het vakblad Boekblad, Trouw en NRC Handelsblad nog een schepje bovenop deed. ,,De magazijnen liggen vol met onleesbare en onverkoopbare boeken'', zei ze in Trouw. ,,Er zijn mensen die gaan schrijven om subsidies te krijgen. Niet alleen omdat ze er een inkomen mee weten op de bouwen, maar vooral omdat de subsidie van het Fonds je literaire status geeft.''

De oratie De waarde van woorden is een pleidooi voor `een literatuurgeschiedenis in termen van geld', aan de hand van de vraag: hoe beïnvloedt het inkomen van schrijvers de boeken die ze maken. Als voorbeelden van dergelijk onderzoek noemde Kuitert in de oratie de relatie tussen betaling per pagina kopij en de wijdlopigheid van de klassieke negentiende-eeuwse romans, of het verband tussen de regelmatig terugkerende cliffhangers in Victoriaanse romans en de gewoonte deze in verschillende delen te publiceren.

Bij zo'n `economische literatuurgeschiedenis' over deze tijd zou je in eerste instantie denken aan de invloed van de commercie op de literatuur, het favoriete onderwerp van de cultuurkritiek in literair Nederland. Onlangs nog sprak Arnold Heumakers in zijn eerste Verwey-lezing over de `economisering van het literaire bedrijf. Naarmate die verder oprukt, komt de autonomie van de literatuur steeds meer in het gedrang'. (gepubliceerd in Boeken, 08.03.02). Die commercialisering leidt niet alleen tot een overproductie van literair waardeloze boeken, maar verziekt bovendien de sfeer bij de uitgeverijen. Verzakelijking en kilheid joegen vorige zomer tientallen schrijvers de deur uit bij Meulenhoff. Zij zeiden terug te willen naar de kleinschaligheid, literatuurliefde en toewijding van de klassieke uitgeverij. Een plaats waar de schrijver niet wordt gestoord met aanwijzingen als: `leuke opzet, maar misschien is het verstandiger om de hoofdpersoon in een vrouw te veranderen, dat verkoopt beter'. Een plaats, kortom, waar de kunstenaar buiten de greep van de commercie nog zijn gang kan gaan.

Kuitert gooit het over een andere boeg. Ze sluit zich niet aan bij de vertrouwde critici van de commercie, maar richt haar pijlen op het subsidiestelsel, op het polderreservaat van de autonome schrijver-kunstenaar. De afwijzing van de subsidieschrijver past echter wèl in een andere, verwante, ontwikkeling in de literaire wereld: het aureool van glamour dat de laatste jaren steeds meer om de literaire auteurs is komen te hangen. Zij zijn bewierookte mediapersoonlijkheden geworden, maar ook zakelijke belangenbehartigers. Zie bijvoorbeeld de eis voor betere contracten van de schrijvers die zich informeel hebben verzameld rond Geert Mak. Bij de sterrenstatus van de moderne schrijver-ondernemer hoort immers geen bedelhandje. Hij haalt het geld zelf wel binnen op de vrije markt.

Kuiterts betoog heeft waarschijnlijk mede daarom zoveel weerklank gevonden. Ageren tegen subsidie is bovendien nuttiger dan klagen over commercialisering: de markt luistert toch niet, maar beleid kan met veel goede wil nog een beetje worden bijgesteld. En dat is nodig. Volgens Kuitert is de literatuur er `bij alle stimulerende maatregelen van de overheid niet op vooruitgegaan. De zelfreinigende werking van de commercie wordt immers op deze manier node gemist'.

Dat zijn stevige uitspraken, maar werkt het subsidiestelsel inderdaad averechts? Werkt het überhaupt? Het systeem van overheidssteun zoals dat sinds 1965 is gegroeid stimuleert schrijvers volgens Kuitert om te schrijven naar de voorkeuren van recensenten en beoordelingscommissies van het Fonds voor de Letteren: zo worden veel boeken gepubliceerd die weliswaar bij professionele lezers genade vinden, maar waar de rest van de lezende bevolking niet op zit te wachten.

Helaas weigert Kuitert namen en rugnummers te noemen als het gaat om auteurs van onleesbare boeken. Is het Josse de Haan? Of toch Hans Hagen, Jacques Hamelink en Veronica Hazelhoff? Misschien wel Joke Hermsen, J. Heymans, Margriet Heymans, Peter Holvoet, Elma van Haren en Anton Haakman. Of wellicht ook Chris Honingh, Annemie Heymans en Pol Hoste – om eens naar de letter H te kijken in de lijst van 200 door het fonds ondersteunde schrijvers en dichters. Kuitert heeft het dienaangaande over `lange lijsten met over het algemeen onbekend werk van onbekende schrijvers'. Die lijsten zijn er, bijvoorbeeld van de (inmiddels afgeschafte) aanvullende honoraria uit het jaarverslag 1999:

Willem Beelen (Achter het licht, ƒ2.800)

Peter Bekkers (Een roos opeten, ƒ6.000)

Snezana Bukal (Eerste sneeuw, ƒ4.200)

Jan Luitzen (Koningsoffer, ƒ5.600)

Max Niematz (Eilandvrees, ƒ4.200)

Nida Oudejans (Vriendendienst, ƒ5.600).

Nooit van gehoord, ongelezen. Maar onleesbaar?

Omdat Kuitert geen namen van boosdoeners noemt, zijn haar stellingen voorlopig eerder een geslaagde provocatie dan overtuigende opvattingen, zeker wanneer het gaat om haar beweringen dat een gesloten en lucratief circuit van schrijvers, recensenten en subsidianten verantwoordelijk is voor de onleesbare literatuur. Er zitten weliswaar veel recensenten in de beoordelingscommissies van het Fonds voor de Letteren, maar overstemmen die daar inderdaad de anderen, zoals Kuitert beweert? En doen ze dat ten faveure van verliteratuurde literatuur? Wordt er inderdaad niet op leesplezier beoordeeld? De bewering dat schrijvers een bepaald soort boeken maken omdat ze literaire status denken op te bouwen door subsidie van het Fonds voor de Letteren, lijkt me wat al te gechargeerd.

Kuitert zelf probeert haar uitlatingen iets te matigen door te benadrukken dat het haar gaat om het aangeven van richtingen van toekomstig onderzoek en niet om het uitspreken van een oordeel. Maar het is moeilijk om kwalificaties als `onleesbaar en onverkoopbaar' of observaties als `de zelfreinigende werking van de markt wordt node gemist' niet op te vatten als waardeoordelen.

Kuitert mag niet aldoor overtuigen, over de rol van subsidies in de Nederlandse letteren valt stellig veel te zeggen. Wie de lijst van tweehonderd slechtverkopende, en dus subsidiegerechtigde, auteurs bekijkt, moet concluderen dat de subsidieschrijver bestáát. Zeker het tot voor kort gehanteerde systeem van werkbeurzen – waarbij de schrijver het kwalitatief wel heel bont moest maken om zijn eens verworven toelage op de tocht te zetten – deed je je afvragen of het nodig is dat de Staat der Nederlanden al deze literaire loopbanen ondersteunt. Dat nog los van de vraag of het hier om grootproducenten van afschrikwekkend geliteratureluur gaat.

Voor het geld hoeft die staat het overigens niet te laten. De meeste schrijvers onvangen jaarlijks bedragen die het bijstandsniveau nauwelijks halen en de uitgaven aan literaire subsidies (het Fonds voor de Letteren, de grootste subsidiegever, verdeelt jaarlijks 5 miljoen euro) zijn een fooi op de kunstbegroting en een fruitvliegje vergelegen met de kosten van een moderne straaljager.

Maar zelfs als ze op een koopje tot stand komen, zit Nederland toch niet te wachten op onleesbare boeken. En eigenlijk ook niet op schrijvers waarvan niemand ooit heeft gehoord, die alleen binnen hun reservaat willen blijven puzzelen. Ontmoedigend was wat dat betreft de reflexmatige, afwijzende reactie van veel schrijvers en van de Vereniging voor letterkundigen op de hervormingen van het subsidiestelsel, twee jaar geleden. Die houden in dat schrijvers niet langer `automatisch' een werkbeurs krijgen, maar eerst een plan voor een nieuw boek moesten indienen, ter grootte van een A4'tje. `Wij zijn toch geen projectontwikkelaars', protesteerden de schrijvers. Nee, maar vooraf op papier zetten wat je ongeveer van plan bent, hoeft de goddelijke inspiratie niet onmiddellijk te vernietigen. Zoals ook een goed gesprek over die plannen dat niet hoeft te doen. Enige bezinning op de toekomst van het kunstenaarschap is voor de meeste artiesten gezond.

In een subsidiereservaat wordt iedere schrijver behandeld als zelfwerkzaam genie – een beetje zoals de gefnuikte Beeldend Kunstenaars Regeling dat ooit deed. Maar het gros van de Nederlandse schrijvers, net als van de Nederlandse niet-schrijvers, is niet geniaal en heeft meer baat bij communicatie dan bij isolatie. Al is het maar opdat ze zich afvragen voor wie ze nu eigenlijk schrijven: voor zichzelf, voor God of voor andere mensen. In de eerste twee gevallen is publicatie wellicht niet nodig.

Erkenning van recensenten en subsidiegevers kan een ongewenste tranquillizer zijn: want boeken die nu het publiek niet weten te bereiken, maken daar ook over twintig jaar niet zo'n grote kans op. Zo dragen ze ook niet bij aan wat het uiteindelijke doel van de kunstenaar moet zijn, de eeuwigheid. Zonder publiek geen onsterfelijkheid. Sterker nog, er lijkt niet veel pijnlijkers voor een schrijver dan te verdwijnen met het uitsterven van een generatie critici of literatuurwetenschappers.

In haar argumentatie noemt Kuitert het moment waarop het misging tussen haar en de Nederlandse literatuur: tragisch genoeg was dat tijdens haar studie Nederlands, waar ze als veellezer binnenkwam, ontmoedigd raakte door de academische voorliefde voor verliteratuurde boeken en slachtoffer werd van een persoonlijke ontlezing. Nu waren de jaren tachtig, toen Kuitert studeerde, het hoogtepunt van de in zichzelf gekeerde en vaak nog altijd ruimhartig gesubsidieerde literatuur (denk aan moeilijkschrijvers als Jacq. Vogelaar, Sybren Polet, Ivo Michiels en Lidy van Marissing). Die vormen echter al lang niet meer de hoofdstroom in de Nederlandse literatuur, voor zover ze niet zelf al zijn bekeerd tot de begrijpelijkheid.

Waarmee niet gezegd is dat de slechte boeken aan het verdwijnen zouden zijn. Wie bijvoorbeeld kijkt naar wat er de afgelopen zes maanden aan literaire debuten is verschenen, wordt niet getroffen door de pogingen om tot ingewikkelde `verliteratuurde' boeken te schrijven, maar eerder door pogingen tot het tegendeel: leesbare, toegankelijke boeken voor een hopelijk groot publiek. Geen goede boeken trouwens, want juist doordat de debutant anno 2002 de technische aspecten van het schrijven redelijk onder de knie heeft en je behoorlijk soepeltjes door hun proza heenschiet, komt de ontnuchtering pas na, zeg, honderd leesbare pagina's: het loopt allemaal wel, maar waar gaat het hier eigenlijk over? Tussen alle sensationele gebeurtenissen die het boek spannend moeten maken – terminale ziektes, knokpartijen in de kroeg en verstikkingsdoden – kom je niet veel verder dan gedachten als `doe dat toch niet', `waarom nou toch?' en – uiteindelijk – `laat ook maar'.

De ambitie tot verliteraturing lijkt bij de aankomende schrijvers verdwenen te zijn, waarmee de eenzelvige en eventueel ook onleesbare subsidieschrijver waarschijnlijk een langzaam verdwijnende soort wordt. De slechte boeken van de komende twintig jaar zullen slecht zijn, maar niet onleesbaar. Ze worden meer bepaald door de publieksroep om toegankelijk proza dan door statusverhogende staatserkenning.

Daarnaast zullen er ook goede boeken verschijnen – je zou bijna vergeten dat ze bestaan. Die bevinden zich bovendien vaak op de plaats waar het oordeel van beroepslezers en publiek samenkomen. Zo is een van de meest bejubelde boeken van de laatste jaren, Thomas Rosenbooms Publieke werken, tevens een uitstekend verkopend boek gebleken. En Rosenboom is bovendien een schrijver die erin geslaagd is om, gesteund door het Nederlandse subsidiesysteem, dóór te schrijven, zich niet tevreden stellend met de aanhankelijkheid van de critici, maar ook nadrukkelijk zoekend naar een groot publiek. Dan werkt het systeem uitstekend.

Uiteindelijk moet dat het doel van het letterenbeleid zijn, niet alleen schrijvers de kans geven zich te ontwikkelen, maar ook om ze aan te sporen meer erkenning te zoeken dan die van literaire deskundigen alléén. Want onverkoopbare boeken zijn slechte investeringen, onleesbare boeken zijn een onaangenaam tijdverdrijf, maar ongelezen boeken zijn doodzonde.

De handelseditie van `De waarde van woorden', de oratie van Lisa Kuitert, verschijnt in juni bij AUP/Vossiuspers en gaat E7,– kosten.