Maanlicht bij Michael Sweerts?

Sinds zijn herontdekking is het werk van Michael Sweerts niet alleen bewondering maar ook verwondering ten deel gevallen. Eén reden voor die verwondering noemt Roelof van Gelder (Cultureel Supplement 15 maart), niet als eerste: de belichting in zijn schilderijen. ,,Het licht bij Sweerts is te helder om van een kaars af te komen (...). Het is volgens mij niets anders dan maanlicht waardoor Sweerts zijn personages laat beschijnen.'' Een lumineuze gedachte, maar hoe waarschijnlijk is zij? Moeten wij ons voorstellen dat de schilder door de straten van nachtelijk Rome trok en daar zijn lichteffecten waarnam?

Sweerts was het tegendeel van een plein-airschilder. Hij was eerder een holbewoner, een `tenebroso', zoals die er meer waren in Italië, in Rome en vooral Napels. Hun picturaal universum was het atelier, een schemerige ruimte waarin het daglicht door een noordervenster meer of minder krachtig naar binnen viel. Sweerts paste de mogelijkheden die dit gebundelde licht hem bood rigoureus toe. Zijn licht kneedt en kleurt de belichte figuren en voorwerpen op de voorgrond en isoleert ze van de donkerte daarachter. Heel anders dan de Hollandse schilders van die jaren, die hun figuren inbedden in een gelijkmatig verlichte ruimte, ziet Sweerts de schemering achter de dramatisch belichte voorgrond als niet meer dan een achterdoek, soms nagenoeg duister, vaker met een hoogst summiere aanduiding van figuren en iets van een omgeving.

Het fraaie Schildersatelier in het Rijksmuseum vat Sweerts' werkwijze en zijn opvatting samen. Het sterkste licht valt op een opeenhoping van afgietsels, brokstukken van antieke beeldhouwwerken, én op de rug van een jonge schildersleerling die zit te tekenen. In de schemerige ruimte daarachter zien we waarnaar hij tekent – een gipsen naaktmodel – en schuin daarachter een verder gevorderde leerling die naar het levend model zit te schilderen. Maar hoe kan die jongen in het halfdonker zijn werk doen? Geen nood: boven zijn hoofd bevindt zich een venster. Maar wonderlijk genoeg is het een geheel lichtloos venster, in tegenspraak met het felle licht op de voorgrond dat door een voor ons onzichtbaar venster moet vallen. Hier, op de voorgrond, ligt blijkbaar het accent in de voorstelling: op de brokstukken van de antieke wereld als het belangrijkste leermateriaal voor de scholing van de jonge schilder.

Sweerts' weergave van het atelier blijkt een doelbewust gemanipuleerde afbeelding van een reële situatie zoals die zich kan hebben voorgedaan. Dat ontneemt aan de voorstelling haar realistisch karakter, draagt bij aan het `mysterieuze' karakter dat zijn werk voor ons heeft. Er valt nog veel van dat karakter te ontraadselen, maar dat het maanlicht daartoe zou kunnen bijdragen, is moeilijk in te zien.