Levenslang in aarzeling gestaald

Ergens aan het begin van de bundel Quasi-kamikaze van Hans Verhagen staat het volgende gedicht:

Zelfreflectie is niet wat wordt nagestreefd,

ontdrifting is.

Niets wordt nooit iets zonder.

Dit gedicht zou het motto kunnen zijn van de bundel en misschien zelfs wel van de poëzie van Hans Verhagen in het algemeen. Wat niet wordt nagestreefd is gegraaf in de eigen ziel of spiegelbeelden van het eigen gezicht. En in geen geval zijn wij uit op inzichten of opheldering. Wat wel wordt nagestreefd is iets wat er al is: ontdrifting. Mooi tricky woord. Het betekent heel veel tegelijk. Ontdrifting kan het begin zijn van drift, zoals ontbranding het begin is van brand. Dan is ontdrifting op drift raken. Maar het kan ook verwijzen naar een woede-uitbarsting. Bovendien kan het ook nog precies het tegenovergestelde betekenen. Want zoals een ontmanning het einde betekent van mannelijkheid, zo kan ontdrifting verwijzen naar een proces waarin een einde gemaakt wordt aan drift. Dan betekent het dat het gedrijf tot stilstand wordt gebracht of dat driftigheid wordt opgeheven. Al met al is het woord ontdrifting zelf drijfzand van verwarring, dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheden. En de slotregel strooit ons nog een extra schepje zand in de ogen. Want er staat niet dat niets ooit iets worden kan zonder ontdrifting, er staat dat zonder ontdrifting niets nooit iets wordt, alsof we daar op uit zouden zijn, dat het nooit iets wordt. Een ideaal programma voor een dichter: geen reflectie nastreven, maar datgene wat er al is, namelijk een zee van tegenstrijdigheden waarin alle betekenissen op drift raken, en dat met het doel dat het nooit iets wordt.

Hoe bereikt Verhagen deze ontdrifting? Hij verwoordt het paradoxale van het leven door gebruik te maken van de stijlfiguur van de paradox: `Stilte overstemde het kabaal,/ meer licht maakte steeds minder waarneembaar.' Verder zijn zijn gedichten opvallend associatief. Je ziet de dichter achter zijn bureau zitten en voor elk vers dankbaar alle bijgedachten oogsten die door het vorige vers worden opgeroepen: `De liefde waar zij voor gevochten had,/ waarvoor zij je bevochtigd had,/ vervluchtigde in slaap.' Deze verzen zijn een estafette, waarbij het stokje verkleurt van `gevochten' tot `bevochtigd' en `vervluchtigd'. Het is voor een dichter goed zo te werken. De taal zelf schrijft mee aan je gedichten en je krijgt er gratis fraaie klankeffecten bij. Soms gaat Verhagen heel ver in deze doorfluisterestafettes. Hij is niet bang voor een hele hand vol herhalingseffectjes: `We sliepen tot we erbij neervielen,/ we vielen erbij neer tot we samenvielen/ met de velden waar we over vielen,/ en de sneeuw viel, en we sliepen,/ en toen de sneeuw verdwenen was/ leken wij verdwenen.'

De beste momenten in Verhagens gedichten zijn de verzen waar de taal balkt met profetische urgentie en zindert van vervreemdende beelden. Die momenten zijn talrijk. Dit is bijvoorbeeld erg goed: `Een met beloften volgefluisterd damesoor,/ alsnog afgerukt'. Achter deze verzen vermoed je een wereld van dieptrieste verhalen, die de verhalen zijn van alle mensen. En hoe beschrijf je kroost? Zo: `Uit de echt een ei ontzwemt, een autochtoon, telg/ van het huis van de rijzende twijfel.' Verhagen doorspekt zijn profetieën met een erg leuke vorm van valsheid. In een mooi gedicht uit de cyclus `Scheuring' staan de volgende regels: `Niemand ziet een ander graag gelukkig worden. [...] De redding van één enkel kind is uit de mode', om te besluiten met `Komt over van de kale vlakte het fluiten in de wind/ van honderden miljoenen doden,/ ook wel lekker.'

De bundel is opgebouwd uit negen afdelingen van elk twee tot zes gedichten. De gedichten binnen de afdelingen hangen nauw samen, soms zo zeer dat je geneigd bent de verschillende gedichten in een reeks te lezen als opeenvolgende hoofdstukken van één lang gedicht. Helemaal achterin de bundel, in het colofon, wordt met kleine lettertjes vermeld dat de bundel is geschreven in de periode februari-juli 2001, met uitzondering van de openingsreeks en de reeks waarmee de bundel afsluit: die zijn geschreven in oktober en november 2001. Waarom moeten wij dat zo nodig weten? De datum die het scharnierpunt vormt tussen de twee zijluiken en het middenpaneel van deze bundel is 11 september 2001. Inderdaad hebben de gebeurtenissen van die dag hun sporen nagelaten in de latere gedichten, vooral in de slotreeks: `Is de duisternis compleet dan zal zij,/ bij de baard van de profeet,/ nog wel even duren.' En de gedachte aan instortende wolkenkrabbers, opgeroepen door de opmerking in het colofon, geeft ook extra lading aan het slotgedicht, dat begint met deze magistrale strofe:

Alleen een levenslang in aarzeling gestaalde

kon de storm die zovelen aan hun eind hielp

hanteren als de tegenwind die hem overeind hield,

enkel door zich om te keren.

Wanneer de torens vallen en alle zekerheden op drift raken in een uitbarsting van wereldwijde woede, dan ontdoet de dichter, die gestaald is maar paradoxaal genoeg in aarzeling, zich van boosheid en brengt hij zijn eigen drijven tot rust door steun te vinden in de storm die alle anderen ten val bracht. Je zou wensen dat er meer dichters uit zouden zijn op ontdrifting en daar zo glorieus in slagen als Verhagen.

Hans Verhagen: Quasi-kamikaze. Nijgh & Van Ditmar, 53 blz. €12,50