Kladjes voor een Adamsboek

De lezer die meent met Een doolhof van relaties een nieuw boek van Hella Haasse in handen te hebben, komt bedrogen uit. Haar naam staat er wel op, en de titel is ook nieuw, maar het is geen roman en ook geen essay, maar een oerboek. Een zelfverzonnen woord voor een zelfverzonnen reeks, opgezet door Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich. In hun voorwoord leggen ze uit wat een oerboek is. Een oerboek is het nooit uitgegeven manuscript van een schrijver, meestal uit zijn beginjaren, dat enkele bladzijden kan omvatten, maar ook een complete, of bijna complete roman. `Merkwaardig genoeg zien juist deze werken maar zelden het licht, terwijl ze toch zo interessant zijn', menen de samenstelsters. Want de schrijver zou in later jaren steeds weer op dit `mythisch Adamsboek' teruggrijpen en zich erdoor laten inspireren tot nieuw werk. Zij stellen zich tot taak aan belangrijk geachte schrijvers dergelijke `oerboeken' te ontfutselen en alsnog uit te geven, zodat iedereen er kennis van kan nemen, en niet alleen `wetenschappers, biografen en andere onderzoekers die vanuit hun vak met het werk van een bepaalde schrijver bezig zijn', zoals het nogal vaag heet. In het geval van Haasse, die het spits af mag bijten, gaat het in de verste verte niet om een bijna-boek, maar om twintig verhalende fragmenten, de meeste ongedateerd. Sommige van die fragmenten zijn later alsnog in een boek terechtgekomen, andere doen denken aan passages of episoden uit andere romans of verhalen. Hoewel de fragmenten in al hun beknoptheid fris en levendig aandoen, en helemaal in de vertrouwde, sympathieke Haasse-stijl zijn geschreven, rijst onmiddellijk de vraag wat de gewone lezer ermee aanmoet. Meer dan aanzetten zijn het immers niet en een nieuw licht werpen ze ook niet op het officiële werk, al willen Kuitert en Rotenstreich zoiets wel beweren in hun voorwoord. Deze onaffe teksten zouden maar liefst de sleutel tot haar werk vormen. Dat lijkt me wel erg veel eer voor probeersels die Haasse op verzoek uit een la met kladversies opdiepte en die zij indertijd natuurlijk niet voor niets terzijde legde.

De suggestie wordt gewekt dat deze oerboekenreeks onuitgegeven parels aan het licht zal brengen van het kaliber Kind tussen vier vrouwen van Vestdijk, een manuscript dat ook jaren op uitgave moest wachten en waaruit hij in de tussentijd zijn Anton Wachter-romans destilleerde. De tijd zal het leren, maar dit eerste oerboek maakt toch, met alle respect voor Haasse, die er verder ook niets aan kan doen, een wat opgeklopte indruk. Ook is het, in onbedoelde overeenstemming met de titel, een nogal onoverzichtelijk boek.

Het oermateriaal zelf maakt maar eenvijfde deel uit van het geheel. De lezer moet zich door een doolhof van secundaire teksten heenwerken om er te komen. Een voorwoord, een interview met de schrijfster (door Aleid Truijens), twee rijkelijk academische verhandelingen (door Rudi van der Paardt en Dorian Cumps) en een korte inleiding door Haasse zelf, gaan aan de fragmenten vooraf. Uit de beschouwingen wordt duidelijk dat die fragmenten tot een roman over een Italiaans beeldenpark hadden moeten leiden, maar dat is er dus nooit van gekomen. Steeds opnieuw wordt het verband gelegd met de boeken die ze wel voltooide, zoals De ingewijden (1957), De tuinen van Bomarzo (1968) en De Meester van de Neerdaling (1973). Om de samenhang tussen oertekst en het oeuvre zichtbaar te maken, werd gekozen voor heruitgave van het laatstgenoemde werk ín het oerboek.

Dat is meteen ook de redding ervan, want De Meester van de Neerdaling, vreemd genoeg een van de minder bekende titels van Haasse, is na dertig jaar nog steeds een mooie, spannende verhalenbundel. Twee langere verhalen staan erin die op een subtiele manier met elkaar verknoopt zijn. Het eerste speelt zich af in een benepen Nederlandse provinciestad rond een strenge, rechtschapen, maar ook erg eenzame onderwijzeres en een louche, mismaakte kunsthandelaar. Het tweede zoomt in op de troebelen in een Venetiaans palazzo, waar een geesteszieke markiezin, een knecht, een bastaardzoon en een Nederlanse gezelschapsdame elkaar op de zenuwen werken. Vanaf het begin is duidelijk dat hier nare dingen staan te gebeuren, in kooien, kerkers en doolhoven. Het aardige van deze verhalen is dat ze een kant laten zien van Haasse, die zelden aandacht krijgt: de thrillerschrijfster in haar, die niet gespeend is van enig sadisme.

Vooral de vrouwelijke verhaalfiguren, de onderwijzeres en de gezelschapsdame, moeten het hier ontgelden. Zij worden op de proef gesteld en het is nog maar de vraag of zij die beproeving gaan overleven. Er hangt een griezelige sfeer van dreiging en achterdocht en er zijn geheimzinnige verwikkelingen die doen vermoeden dat er hogere machten in het spel zijn. Aan niemand minder dan de duivel zelf, in vermomming uiteraard, moeten de dames het hoofd zien te bieden. Ze staan op een bewonderenswaardige manier pal, vastbesloten om de zwakkere medemens uit zijn klauwen te redden. Maar het wrange van beide verhalen is dat niemand hen gelooft, zodat ze helemaal alleen staan in hun dappere strijd tegen het kwaad. Hun enige redding zijn wij, welwillende lezers, en het is dan ook niet toevallig dat beide vrouwen hun levensverhaal aan het papier toevertrouwen. Dat is het piepkleine lichtpuntje dat Haasse hen te bieden heeft: dat hun ellendige leven, vereeuwigd in een verhaal, steeds opnieuw gelezen en begrepen kan worden, al is het maar achteraf.

Hella S. Haasse: Een doolhof van relaties. Samenstelling Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich. De Bezige Bij. 248 blz. E19,50