Iedere dag een halfje

Sjoerd Kuyper is vijftig geworden. Een maand geleden. Dat is natuurlijk wel fijn, vijftig. Kuyper is nu bijvoorbeeld nooit meer bang, staat in een gedicht dat `Vijftig' heet. ,,Ik ben potverdorie vijftig/ – het moet afgelopen wezen!/ Ik ga sterk en stoer en dapper/ verder leven zonder vrezen.' Maar zo onverdund plezierig blijkt dat vreesloze leven niet te zijn, want een nieuwe angst bekruipt de schrijver: dat hij, zonder angst, ook geen fantasie meer zal hebben. En wat is erger voor een schrijver dan dat? Een schrijver die zijn bundel verzamelde liedjes en gedichten, Fanfare, (`een feestelijke bundel mét cd' zegt de uitgever, speciaal samengesteld voor Kuypers verjaardag) begint met een ode aan de schrijversfantasie?

Bedenkt hij een draak?

Hij ziet vuur, hij ruikt rook.

Hij wordt snel een ridder

en die wint dan nog ook.

(en ook van een spook.)

Sjoerd Kuyper is een ongemeen productieve schrijver. Hij schreef zesendertig kinderboeken waarvan er verschillende prijzen kregen en er eentje, Robin en God, zelfs met een gouden griffel bekroond werd. Hij is de auteur van onder meer de succesvolle televisieserie en film Het zakmes, en hij schreef ook nog diverse stukken voor theater. Hij heeft kortom in die vijftig jaar niet stil gezeten. Als híj zegt dat een schrijver als hij een draak bedenkt meteen vuur en rook ziet, dan is er wel reden om dat te geloven. Al laat hij ons in `Iedere dag een halfje' ook de andere kant van het schrijversleven zien, de kant van het uitstellen en onzinklusjes doen, de kant van de hele dag rondlummelen zonder veel succes. `De schrijver kan niet schrijven/ nu wacht hij op de post./ Hij krijgt een folder waarin staat/ hoeveel een ladder kost./ Hij leest die heel aandachtig,/ hij leest die heel secuur,/ hij weet hoeveel een ladder kost./ Dan is het twaalf uur.'

Aan deze paar voorbeelden is al wel te zien wat voor type versjes het zijn, van Kuyper. Grappige, rijmende, een enkele keer bijna knittelende verzen. Zijn versjes zijn vaak liedjes, die voor verschillende tv-series geschreven zijn. De korte inhoud van die series staat achterin zodat de lezer begrijpt waar de liedjes op slaan. Die toelichtingen zijn prettig, want anders hangen de teksten nogal in de lucht. Ze zijn wel aardig, maar eigenlijk niet helemaal zelfstandig.

Dat geldt overigens niet voor alle liedjes in dit boek. Veel ervan kunnen heel goed op zichzelf genoten worden. Een van de hoogtepunten is bijvoorbeeld de `Tong song' waarin een kind aan het woord is dat gruwt van de zoenscènes op de televisie, een kind dat sowieso bijna niets walgelijkers kan bedenken dan dat iemand zijn of haar tong in je mond zou steken: `Ik zap maar gauw verder,/ ik kan er niet tegen./ 'k Hou van vlees in mijn mond/ maar het moet niet bewegen.'

Kuyper is heel goed in het zich inleven in allerlei kinderlijke gemoedstoestanden en die dan op komische wijze overdrijven of verwoorden. Maar ook volwassenen kunnen in zijn liedjes leuk uit de hoek komen, zoals de huisknecht die per ongeluk zijn beminde freule heeft ontvoerd en die zich nu vertwijfeld afvraagt of hij voortaan in schuld moet leven: `Mijn mond vol tanden,/ mijn haar vol handen...O!'

Grootse poëzie is dit niet, maar vermakelijk is het wel. En dankzij de bijgeleverde cd is ook nog na te gaan hoe die liedjes eigenlijk bedoeld zijn. Dus de uitgever had wel gelijk: een feestelijke bundel.

Sjoerd Kuyper: Fanfare. Alle liedjes van Sjoerd Kuyper. Leopold, 120 blz. Met cd. E17,99