Het Fonds voor de Letteren

Een klein clubje recensenten en wetenschappers bepaalt welke auteurs aanspraak kunnen maken op subsidie van het Fonds voor de Letteren. Het gevolg, aldus hoogleraar boekwetenschap Lisa Kuitert onlangs in haar oratie: onleesbaar subsidieproza. Maar wie bepaalt nu eigenlijk welke auteurs geld krijgen, en hoeveel?

In 2001 kende het Fonds ruim 3,5 miljoen euro subsidie toe aan 224 schrijvers van proza, poëzie, kinder- en jeugdboeken, literaire non-fictie en drama, per schrijver gemiddeld bijna 16.000 euro. Deze bedragen kunnen door de schrijvers over meerdere jaren worden opgenomen. Met de subsidies beoogt het Fonds de kwaliteit en diversiteit van de Nederlandse literatuur te bevorderen. Tot vorig jaar ging het meeste geld naar `werkbeurzen' uitsluitend bestemd voor auteurs die al twee of meer publicaties op hun naam hadden – en `aanvullende honoraria', een vergoeding achteraf voor het werken aan een boek.

De `eredivisie' van auteurs die traditioneel veel geld kregen, werd gevormd door zes schrijvers, H.C. ten Berge, Jeroen Brouwers, Louis Ferron, Jacques Hamelink, Geerten Meijsing en Jacq Vogelaar. Bovendien keert het fonds reis- en verblijfbeursen uit. Achtentwintig oudere schrijvers, onder wie Simon Vinkenoog, Leo Vroman en Willem G. van Maanen, ontvangen jaarlijks bijna 7.000 euro `eregeld'. Een andere subsidiegever, het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds, keert nog ongeveer 35.000 euro per jaar uit aan honoraria voor bijdragen aan literaire tijdschriften.

Het bestuur van Stichting Fonds voor de Letteren bepaalt welke auteurs genoeg `literaire kwaliteit' hebben voor subsidie. De besluitvorming wordt voorbereid door een adviesraad, die zich op haar beurt weer baseert op externe leescommissies. Lisa Kuitert zei daarover: ,,In die commissies zitten auteurs, recensenten, hoogleraren. Maar geen doorsnee consumenten''. Een leescommissie bevat drie leden, die maximaal twee jaar lid mogen zijn, en die volgens het Fonds een `beargumenteerd oordeel over de literaire kwaliteit van het voorgelegde werk' moeten kunnen geven. Sylvia Dornseiffer, directeur van het Fonds: ,,Het zijn ervaren lezers: wetenschappers, critici, maar ook docenten Nederlands, bibliothecarissen en boekhandelaars.''

In de praktijk blijkt het gezelschap soms minder divers. Negen van de twaalf leden van de proza leescommissies van 2000 verdienden hun brood in de literaire kritiek of de wetenschap. Naast Lisa Kuitert – dezelfde – bevatte de commissies onder meer de huidige chef boeken van Vrij Nederland, Jeroen Vullings. Van de veertien leden van de adviesraad, die maximaal vier jaar mogen blijven, zijn er maar drie – Jaap van der Bent, Els Broeksma en Léon Hanssen – afkomstig uit de literaire kritiek of de wetenschap. Het bestuur van het Fonds bestaat uit zes mensen, waaronder verplicht een schrijver, momenteel Hans Maarten van den Brink. Voorzitter is emeritus-hoogleraar migratierecht Ulli Jessurun d'Oliveira.

,,Kuitert verwijt het Fonds dat er subsidieproza wordt uitgegeven, maar het is nog steeds de uitgever die bepaalt wat er wordt uitgegeven,'' zegt Dornseiffer. ,,Bovendien hebben veel auteurs met subsidies toch een groot publiek. Denk maar aan Thomas Rosenboom of Joost Zwagerman.''

Dit jaar is het Fonds overgestapt op een nieuw systeem van subsidiëring, waarbij wordt gekeken naar een werkplan en naar eerder werk. Op basis van zijn werkplan kan een schrijver een werkbeurs krijgen tussen de 4.500 en 68.000 euro, die over een periode van maximaal vier jaar kan worden opgenomen. Wanneer een auteur in een jaar 34.000 euro of meer heeft verdiend, krijgt hij in dat jaar geen beurs. Het is voorlopig nog de vraag of de doorstroom – een doel van het Fonds – hierdoor wordt verbeterd.