Hera draait gewoon een shagje

Dit is de eerste regel van het eerste gedicht uit de eerste bundel van Pieter Boskma, vijftien jaar geleden verschenen: `ik zocht het woord dat alles vertelt'. Het is, achteraf, aardig die zin bij Boskma aan te treffen, want juist hij heeft zich sindsdien ontpopt als een veeldichter. Op die eerste regel zijn inmiddels zeven bundels gevolgd, en een novelle, en ook nog een bundel onder het pseudoniem Laura van der Galiën. Het ene woord dat alles vertelt is blijkbaar niet zo gemakkelijk te vinden. Vermoedelijk heeft Boskma de hoop op zo'n allesvertellend woord inmiddels zelfs al laten varen, want in zijn poëzie heeft hij het in de loop der jaren steeds meer in de verhalende breedte gezocht, en steeds minder in de dichterlijke concentratie. Steeds meer in de lange liederen, ruim opgezette reeksen, poëtische vertellingen van enkele tientallen pagina's lengte, en niet in de korte en krachtige zegging.

Zijn nieuwste bundel, De aardse komedie, zet die prozaïsche lijn stevig voort. Niet alleen door zijn omvang (bijna 300 bladzijden) doet hij aan een roman denken, maar ook door zijn opzet: geen losse gedichten of liederen, maar een doorlopende vertelling over een driehoeksverhouding tussen twee vrouwen en een man, die worden gevolgd over een periode van zo'n twintig jaar. Daartegenover staan nog wel enkele poëtische elementen. De titel is een verwijzing naar De goddelijke komedie van Dante en er zijn toespelingen op andere dichters en op andere lange gedichten, zoals de Mei van Gorter en Een winter aan zee van Adriaan Roland Holst. Het geheel oogt met zijn tienregelige strofen als een epos, maar door het ontbreken van eindrijm, een vaste regellengte of een dwingend ritme leest het eerder als een alledaags verhaal. Is het nu een roman of een gedicht? Volgens de ondertitel is het `een roman-gedicht'.

Het boek zet hoog in, met een grote, paginavullende, zich over driemaal tien regels heenslingerende Homerische vergelijking – op te vatten, neem ik aan, als een saluut aan de vader van het epos, Homeros. Boskma is goed in dit soort stapelende en aanslibbende lyriek die soms wel het zicht op zichzelf ontneemt. `Zoals golven, zonder duidelijk begin,/ misschien als rimpeling veroorzaakt/ door een vis, zich naargelang de wind,/ onstuimig of gedwee, verheffen uit de zee/ – hun uitwaaierend schuim al zien/ ontbloeien tot bewolking – , en een/ moment in evenwicht van gravitatie/ en cohesie wachten op het breekpunt/ waarvoor zij zich gesteld zien door/ de wereld der verschijnselen' – zo begint Boskma.

Geboortezang

Het klinkt mooi en vol vervoering, ritmisch en vloeiend als de beweging die het beschrijft: van golven. Maar de kans is groot dat de lezer op dit punt het spoor van de vergelijking al bijster is – en dan moet tweederde ervan nog volgen. Vorm en inhoud gaan hier hun eigen weg.

Wat Boskma in zijn eerste lyrische bladzijden wil beschrijven is, naast heel veel meer, een moment van stilstand, een flits van dieper inzicht. Het is het moment waarop een golf, opgetild, of een mens, in het midden van zijn of haar leven, nog niet weet hoe het hem verder zal vergaan: uitwaaieren, schuim worden, ontbloeien, ten hemel reiken `in een almaar magistraler expanderend vergezicht' of weer neervallen, zijn voorgangers achterna en uitrollen op een rimpelloos strand, op de huid gezeten door een eindeloze reeks volgelingen. Zo voelt ook een van de helden van dit gedicht zich: Hera, 's nachts onder een boom schuilend voor onweer, `toen haar de gedachte trof/ dat zij als een golf haar hoogste punt al naderde// en nóg geen inzicht van belang veroverd had!' Het doet in de verte denken aan het Danteske gevoel midden in het leven in een donker woud te zijn beland. Deze Hera besluit dan, als ik het goed zie, bij het moment te gaan leven en te proberen elk moment te `bestendigen in zo'n gelaagde schildering/ dat die [...] uit zou stijgen boven/ elke stem in de omgeving en wegvliegen/ op vleugels van kleur en van muziek.' Het is het bevlogen einde van een toch al verheven eerste zang, de klassieke scheppingsscène, de metaforische opmaat voor de rest van de roman.

Maar daartegenover staat, meteen vanaf het begin, een meer aardse lijn. Hera mag dan een godinnennaam zijn, en haar gedrag in de extatische geboortezang `godingelijk' – meteen daarna zien we haar in Hantum (Friesland) gewoon `een shagje draaien', terwijl `de akkers dampten en de geur van klei [...] door het open raam trok.' En iets verderop vinden we haar masturberende op de vroege ochtend, en ook dat gaat er allemaal heel nuchter aan toe. `Eén kreun, één kramp/, één samentrekken en het was alweer/ voorbij. Zij trok haar rok recht, zette/ koffie en ging nog even liggen.' Dat zijn zo de twee lijnen waarlangs dit roman-gedicht zich gaat voltrekken: vrije verbeelding en koffie, godinnenbevrediging en een shagje. Er gebeurt van alles in de verbeelding van de verhaalfiguren, maar het is toch steeds weer opgehangen aan omslachtige, en vaak ook nogal potsierlijke verwikkelingen in de realiteit. Amsterdam, Hantum, New York, Vermont, Bergen aan Zee, Gardameer – dat zijn de belangrijkste locaties. Hera (41 jaar in het begin), die iets kunstzinnigs doet, wil de grote dichter Tosk (38 jaar), maar Tosk wil Sarah (wereldberoemd fotografe, 26 jaar), of niet, maar weer wel als Sarah zwanger van hem blijkt te zijn, in Italië, als ook de oude Arni erbijkomt, en diens jonge vriendin Ambra, met wie ze een hotel gaan drijven – en zo verwikkelt zich dat allemaal maar door. Het is teveel om op te noemen.

Geluksgevoel

Er valt in het klein nog wel eens wat te bewonderen, maar in het groot overheerst hier toch de geest van de soapserie. Karakter of persoonlijkheid hebben de personages nauwelijks. Hun gedrag is grillig en onvoorspelbaar. Zit het verhaal even vast, dan tovert een onzichtbare hand snel een onwaarschijnlijke toedracht of zomaar een nieuwe verhaalfiguur te voorschijn. En daarbij praten en denken deze figuren vaak ook nog in vage en pretentieuze kunstclichés. Zo is voor Sarah, die in de hele bundel op geen enkele originele gedachte te betrappen valt, de dichter Tosk degene `bij wie de taal/ begon, alle taal, haar hele denken.' Tosk leest graag voor uit zijn bundel Alles in Alles – en Meer. Sarah `had er niet veel/ van begrepen, maar hele stukken tekst/ tot haar verwondering onthouden. Dat waren/ nu de stukjes alles in het alles van haar leven,/ in het niets van haar gedachten, ja, ze had/ goed opgelet!' Dat soort geneuzel. Fotografe Sarah kan er later `opeens' achterkomen dat ze al twintig jaar geen foto meer heeft gemaakt. Tosk gaat al zeven weken vreemd met Sylvia als hij `plotseling' beseft dat hij al zeven weken niet meer aan Sarah heeft gedacht. Hun dochter Laura schijnt niet te willen weten hoe zij opeens zwanger is geraakt, en ze hoeft ook niet te weten van wie. Dat soort psychologie. `Zij werd overspoeld door een intens geluksgevoel.' `Tot haar verrassing barstte zij in snikken uit.' Dat soort doktersromanzinnen.

De aardse komedie zou als een namaakdoktersroman bedoeld kunnen zijn, als een parodie op een soap of als een persiflage op een epos, maar er is toch net te weinig dat daar op wijst. Dit roman-gedicht wil geloof ik wel degelijk serieus genomen worden, en het wil zelfs nog wel bij wijze van levenswijsheid uitdragen dat het met de mens en met het leven is als met de golf in de grote zee, waar dit epos mee begon: het gaat altijd maar door. `Alleen in het idee/ dat alles zich eindeloos herhaalde,/ zou een mens berusting kunnen vinden/ voor zijn sterfelijkheid', filosofeert Tosk in zijn Alles in Alles – en Meer. Dat levert ook een mooi argument op voor het betrekkelijk willekeurige einde van deze roman, waar nog heel wat losse draden uit blijven steken. De aardse komedie had ook wel driehonderd bladzijden dikker kunnen zijn. Of dunner. Boskma, bij monde van zijn personage Hera: `Je zou er boeken over kunnen schrijven,/ of erover zwijgen, wat hetzelfde was.'

Pieter Boskma: De aardse komedie. Een roman-gedicht. Prometheus. 282 blz. E17,50