Handige Hongaarse premier troeft socialisten af

De Hongaren kiezen in twee ronden – zondag en op 21 april – een nieuw parlement. De socialisten, zo wordt verwacht, leggen het af tegen 's lands handigste politicus.

,,Wij treden niet toe tot Europa en we komen er ook niet `bij', wij keren terug waar we al eerder waren. Wij hoeven ons in niets minderwaardig te voelen.'' Viktor Orbán (38) op campagne. Het is drie dagen voor de Hongaarse parlementsverkiezingen en vanavond is Szolnok aan de beurt, een slaperig stadje aan de Tisza. ,,Als verdere natuurrampen uitblijven en de wereldeconomie een beetje stand houdt is de toekomst van ons.''

Ruim een uur lang bespeelt de conservatieve premier zijn publiek feilloos: gedreven, soms gevoelig, vaak geestig, nooit haperend.

De burgers luisteren ademloos naar de nieuwe kampioen van de Hongaarse burgerij. De gerestaureerde schouwburg is tot de laatste stoel bezet. Op straat volgt een menigte de bijeenkomst via een beeldscherm. Binnen schetst Orbán onafgebroken perspectieven: voor de middenstand, voor de jeugd, voor de ouderen, voor het land en niet te vergeten voor het Hongaarse volk. ,,Drie data zijn van belang: 2004 als we lid worden van de EU, 2007 als we mee gaan doen aan de euro en 2012 als we de Olympische Spelen zullen organiseren.''

De applausmeter slaat ver uit als de premier onderwerpen van nationale trots aanroert. De Olympische Spelen – overigens nog helemaal niet aan Hongarije toegewezen – doen het goed. Maar de opmerking dat de Europese Unie de grenzen van Midden-Europa zal doen vervagen en van Hongarije ,,weer een natie van vijftien miljoen Hongaren zal maken'' (inclusief dus de Hongaarse minderheden in de buurlanden), brengt het publiek uit de stoelen.

Hongarije leerde Orbán in 1989 kennen als een radicale liberale student die tijdens de herbegrafenis van Imre Nagy, de leider van de opstand in 1956, brutaal het vertrek van de sovjettroepen eiste. Midden jaren negentig schoof de jonge pragmaticus met zijn Fidesz-partij op naar het politieke midden en begon hij een pak te dragen.

Vier jaar geleden won zijn inmiddels conservatieve Fidesz-MPP (Alliantie van Jonge Democraten-Hongaarse Burgerpartij) de verkiezingen en vormde een coalitieregering. Daags na de verkiezingen begon de strateeg Orbán zijn positie te consolideren. Projecten voor de aanleg van een nieuw nationaal theater en een vierde metrolijn in Boedapest, begonnen onder de voorgaande centrum-linkse regering, werden stopgezet. Tussen links en rechts werden stevige piketpaaltjes geslagen. De nieuwe regering wist zich te verzekeren van een stevige greep op de staatsradio en -televisie en het parlement kreeg een nieuw rooster opgelegd. Wekelijkse bijeenkomsten waren tijdverspilling, vond de nieuwe parlementaire meerderheid. Eens in de drie weken was genoeg. De links-liberale oppositie keek machteloos toe hoe het politieke speelveld steeds kleiner werd en de nationalistische, antisocialistische toon steeds bitser.

Een speciaal imagobureau, onderdeel van de kanselarij van de premier, begon keihard te werken aan een nieuw imago van het land. In vier jaar tijd werd Hongarije omgetoverd van een grijze postcommunistische staat in Midden-Europa tot een land met een trotse duizendjarige christelijke geschiedenis, een conservatieve traditie en een uitgesproken eigen mening. Voor het eerst sinds de dramatische opdeling van Hongarije in 1920, waarbij tweederde van het land en eenderde van de bevolking buiten de grenzen kwam te vallen, hebben de Hongaren in de buurlanden nu een officiële status gekregen binnen het moederland.

De historicus Ignác Romsics maakt zich zorgen over de rechtse tendens in zijn land. De extreem-rechtse István Csurka krijgt in het parlement alle ruimte om de nationalistische, antisemitische trom te roeren. Zijn partij MIÉP (Partij voor Rechtvaardigheid en Leven) voert campagne onder het motto: christelijk en Hongaars. Romsics: ,,Er zijn politieke groeperingen die teruggrijpen op primitieve rechtse conservatieve tradities die ondemocratisch en onaanvaardbaar zijn. Ik vind dat heel erg. En eerlijk gezegd had ik, toen ik jong was, nooit gedacht dat ik dit soort denken nog mee zou maken.''

Romsics heeft uitgebreid de diverse totalitaire verleidingen van zijn land in de vorige eeuw beschreven. ,,Er is sprake van antisemitisme in Hongarije. Ik ben dat ook tegengekomen in de VS, Frankrijk en Duitsland. Maar het verschil is dat antisemitisch taalgebruik daar niet getolereerd wordt in het openbare leven. Hier wordt het `half' getolereerd. Net als in de periode tussen de wereldoorlogen.'' Het probleem is volgens de historicus dat de regering Orbán teruggrijpt op bepaalde conservatieve, religieuze en nationalistische aspecten van de geschiedenis zonder dat links daar iets tegenover stelt. ,,De socialisten zijn in de war en durven het verleden niet onder ogen te zien. Ze zouden hun eigen intellectuele tradities duidelijk moeten maken.''

Peilingen wijzen uit dat de socialisten het gaan afleggen tegen het verbale geweld van Fidesz-MPP. De sociaal-democraten – voortgekomen uit de communistische partij – zijn er onvoldoende in geslaagd om weerwoord te bieden. De socialistische lijsttrekker Péter Medgyessy (59) heeft een kleurloze campagne gevoerd. De partijtop heeft zich onvoldoende weten de vernieuwen. De twintig jaar jongere Orbán daarentegen heeft enthousiast in de vijver van uiterst rechts gevist.

De grootste vraag bij de verkiezingen van zondag is of de radicaal-rechtse MIÉP opnieuw de kiesdrempel haalt van vijf procent of dat de extreem-rechtse kiezers meteen op Orbán zullen stemmen en hem aan een absolute meerderheid helpen. Hoog politiek spel, meent Romsics. De Europese Unie moet uiteindelijk uitkomst brengen: ,,Als lid van de EU maken we straks onderdeel uit van een grotere democratische gemeenschap. We moeten dan de Europese waarden en normen delen. Daarom ben ik uiteindelijk toch nog wel optimistisch. Ook al is er nu best reden tot zorg.''