Giftige torentjes en brutaal goud

Hijman de Jong ontwierp de gevel van het Amsterdamse bioscooptheater Tuschinski. Nu de legendarische bioscoop na restauratie weer opengaat, is het tijd voor postume rehabilitatie.

De opening van het Theater Tuschinski in Amsterdam was belangrijk nieuws in de ochtendeditie van het Algemeen Handelsblad van 29 oktober 1921. Iedereen die ook maar iets met de bouw te maken had gehad, werd genoemd: de aannemer, de decorateurs, de tegelbakkerij, de interieurverzorgers en vanzelfsprekend ook de architect D.C. Klaphaak. Maar in de avondeditie stond op diezelfde dag een correctie op de eerdere berichtgeving: ,,De heer Klaphaak deelt ons mede, dat hij uitsluitend de uitvoerende architect van het gebouw Tuschinski is geweest. De tekeningen werden gemaakt door de heer H.L. de Jong.'' En, ter bevestiging: ,,De heer H.L. de Jong schrijft ons nog, dat hij de ontwerper van het theater is geweest.''

De architect Hijman Louis de Jong (1882-1944) was bij de opening niet aanwezig en is vervolgens goeddeels verdwenen uit de geschiedschrijving over het vooroorlogse bioscoopimperium van Abraham Tuschinski. Het beroemde gebouw, dat volgende week na een ingrijpende renovatie wordt heropend, staat vooral op naam van Tuschinski zelf. Natuurlijk had hij bouwkundig tekenaars aan het werk gezet voor de technische verwezenlijking, zo beweerde hij in zijn enkele jaren later gepubliceerde memoires, maar alle ideeën kwamen van hem. ,,Jij gaat tekenen'', zou hij tegen een niet met name genoemde architect hebben gezegd, ,,maar ik ben niet gauw tevreden, zodat het dikwijls zal voorkomen dat ik met een enkele blik een tekening afkeur.''

Toch hangt er bij de kleinzoon van Hijman de Jong, Hijman van Dijk, een ingelijste tekening van de voorgevel en de dwarsdoorsnede van het gebouw aan de muur waarop de handtekening van zijn grootvader staat. De voorgevel is een exacte weergave van de gevel van het weelderige bioscooptheater dat sinds 1921 aan de Reguliersbreestraat staat. Voor de dwarsdoorsnede geldt hetzelfde. De indeling komt geheel overeen met de werkelijkheid, inclusief de wijze waarop de balkons werden verankerd in de voorgevel – zodat de bouwers tegemoet konden komen aan Tuschinski's wens om de theaterzaal te vrijwaren van zichtbeperkende pilaren.

Van Dijk is, sinds hij met pensioen ging, doende het levensverhaal van zijn vergeten grootvader te reconstrueren. Diens architectuurtekeningen heeft hij teruggevonden op een letterlijk verstofte zolder in het beroemde Amsterdamse bioscooptheater. In een ordner bewaart hij de schaarse informatie die uit de nalatenschap tevoorschijn kwam. Het was maar weinig, want als slachtoffer van de jodenvervolging liet De Jong niet veel na. En zijn dochter – de moeder van Van Dijk – wilde het verleden liever laten rusten.

Hijman Louis de Jong was autodidact. Hij begon als timmermansleerling, werkte als tekenaar bij de architect H.P. Berlage en opende daarna onder de naam Amsterdamsch Bouwbureau een eigen kantoor. Hoe hij met Abraham Tuschinski in contact kwam, is niet bekend. Wel valt te vermoeden, dat De Jong destijds bekend stond als iemand die vaak met de gemeente Amsterdam onderhandelde over locaties waar kon worden gebouwd. Zijn kleinzoon heeft diverse brieven gevonden waarin De Jong de aandacht vestigt op lege plekken in de stad, en daarbij meteen een voorstel insluit voor een nieuwe bebouwing. Op deze manier verwierf hij opdrachten.

In het geval van Tuschinski waren goede contacten met de gemeente een eerste vereiste. De man die in Rotterdam al vier bloeiende bioscoopbedrijven leidde, had in Amsterdam een begerig oog laten vallen op de Duvelshoek, een verkrottend buurtje achter de Reguliersbreestraat. Op dat terrein moest voor de somma van 900.000 gulden een `Wereldtheaterpaleis' verrijzen, aldus een advertentie uit 1918: ,,...een tempel voor de kunst en het vermaak, die den smaak van den meest eischenden wereldstadsmensch volkomen zal bevredigen''.

Onteigening

Uit de bewaard gebleven correspondentie blijkt dat De Jong om te beginnen werd ingeschakeld om de benodigde toestemmingen te verwerven voor de onteigening en sloop van de pandjes in de Duvelshoek. Per brief diende hij zich bij de gemeente aan als ,,gemachtigd zijnde en handelende voor zijn principaal A. Tuschinski.'' Al in 1917 begonnen de onderhandelingen. Prompt belandde De Jong midden in een competentiestrijd tussen de twee topambtenaren met wie hij te maken kreeg. De man van Publieke Werken toonde zich aangesproken door de sloop van de slonzige steegjes en de spectaculaire nieuwbouw, terwijl de collega van Huisvesting voortdurend met nieuwe bezwaren kwam. Uiteindelijk draaide hij pas bij toen burgemeester Tellegen aan de kant van Publieke Werken ging staan. Toen vond ook de man van Huisvesting opeens dat het een prachtig plan was.

Maar tegen die tijd was er wel veel kostbare tijd verloren gegaan. De ordner bevat wanhopige briefjes die De Jong ontving uit Rotterdam, namens Abraham Tuschinski (die zelf vrijwel analfabeet was) geschreven door zijn zwager en mededirecteur Hermann Ehrlich. Op 7 januari 1918: ,,Ik heb een kapitaal uitgegeven aan den grond en ik weet niets, letterlijk niets. Ik ben ten einde raad.'' En op 24 januari 1918: ,,Ik behoef u er niet aan te herinneren in welke positie ik met die geschiedenis verkeer, daar ik zoo'n groot kapitaal heb uitgegeven en nu kan ik niet verder.'' Het waren smeekbeden, waar De Jong niet veel aan kon doen. Hooguit kon hij de gemeente om spoed verzoeken, en dat deed hij dan ook. In dringende brieven schreef hij dat zijn opdrachtgever veel schade leed door het uitstel, en ,,dat zijn financieelen ondergang hiervan onherroepelijk het gevolg zal zijn''.

Maar ten slotte kon Tuschinski toch op 21 augustus 1918 zijn plannen ontvouwen in een advertentie in het Algemeen Handelsblad: ,,Wij leven thans in een tijd, dat er weliswaar groote behoefte bestaat aan theaters, maar slechts alleen aan de allergrootste en allermooiste, en daarom heeft de directie besloten een Wereldtheaterpaleis op te richten, dat de trots zal uitmaken van een ieder die alleen in de allereerste klasse publieke vermakelijkheden een bron ziet ter bevordering van het vreemdelingenverkeer en ter veredeling van den volkssmaak op het gebied van kunst en amusement.''

De Jong ontwierp het theater volgens Tuschinski's eisen. De gevel moest ,,een monumentaal kunstwerk van verglaasd, gebakken steen'' worden, dat nu dan ook hoog in de Amsterdamse lucht priemt – bekroond door twee grote bronsgroene koepels. In die torentjes herkent kleinzoon Van Dijk ook iets van een synagoge, maar de eerste indruk van de gevel is vooral babylonisch. Op de grijze façade wemelt het van de motieven. De erkers aan weerszijden kunnen nog enigszins aan het moderne van de Amsterdamse School herinneren, maar de art déco-omlijstingen en de oosterse krulversieringen creëren het typische Tuschinski-barok dat volgens een krantenverslag uit die tijd ,,vanwege de giftige torentjes en het brutale goud al tijdens de bouw vaak aan kritiek onderworpen was''.

Tegelfabriek

Diverse andere ontwerpers droegen eraan bij. Zo heeft Ch. Bartels, tekenaar bij een tegelfabriek, meegewerkt aan de gevel, terwijl de vormgevers Jaap Gidding en Pieter den Besten de somptueuze interieurs voor hun rekening namen. En ook zij voldeden aan Tuschinski's wensen, ook als ze het zelf soms iets te overdadig vonden. ,,Als wij tegengestribbeld hadden, zouden wij zonder meer de straat opgestuurd zijn'', zei Den Besten later. Maar zij waren aanwezig bij de opening en deelden in de eer. De Jong niet.

Wat er precies is gebeurd, kon Van Dijk niet meer achterhalen. Hij weet alleen dat er al vóór de opening een conflict over geld moet zijn geweest dat ook daarna nog langdurig heeft doorgewoekerd. In een brief van 12 februari 1924 aan de Rotterdamse advocaat W. van Peski vermeldde De Jong enkele namen van medewerkers die zouden kunnen getuigen hoeveel administratie hij heeft moeten verrichten om de bouw van het Tuschinski-theater mogelijk te maken. Verdere verklaringen ontbreken, en evenmin is bekend of het ooit tot een rechtszaak is gekomen. Maar het is aannemelijk dat De Jong niet tevreden was over de honorering voor zijn voorbereidende werkzaamheden. Tuschinski's wraak bestond eruit dat hij de naam van de architect in zijn memoires niet heeft genoemd – en wel die van Klaphaak, Bartels, Gidding, Den Besten en vele anderen.

Een bekend architect is H.L. de Jong niet geworden. Elders in Amsterdam heeft hij enkele woonblokken neergezet, aan de Jan van Galenstraat en op de hoek van de Reinier Claeszenstraat en de Willem de Zwijgerlaan, en een paar tijdelijke winkels in de Van Woustraat en de Rustenburgerstraat. In 1931 ging zijn Amsterdamsch Bouwbureau failliet. Daarna werkte hij thuis verder.

Tijdens de bezetting bleef De Jong nog lang ongedeerd, al kwam hij niet meer de deur uit. Zijn kleinzoon is als dertienjarige jongen begin 1944 nog bij hem op bezoek geweest. Grootvader zat Duitse, Franse en Engelse woordjes te leren – want dan zou hij makkelijker met mensen kunnen praten als hij onverhoopt naar Duitsland zou worden gestuurd om te werken. ,,Hij gaf me toen een karpersnoer en zei: als je een karper vangt, wil je die dan komen brengen? Hij wou zo graag gefillte Fisch. Ik weet nog dat ik op een vroege ochtend heb staan hengelen in het P.J. Thijssepark in Amstelveen, want daar woonde ik vlakbij, maar ik heb toen niets gevangen.''

Eerder had De Jong – volgens zijn briefpapier als architect gevestigd in de Huidekoperstraat 7, Amsterdam – een verzoekbrief aan Seyss-Inquart geschreven tot ontheffing van het dragen van een jodenster. Hij was met een niet-joodse vrouw getrouwd, kwam nooit in de synagoge en had al veertig jaar geleden alle banden met de joodse gemeente verbroken, redeneerde hij. Op 14 maart 1944 werd hij desondanks opgepakt. Uit een briefje dat De Jong drie dagen later vanuit kamp Westerbork naar huis stuurde, blijkt hoe naïef hij was gebleven: ,,Het voor mij onbegrijpelijke is gebeurd, heb geen enkele overtreding begaan en toch gevangen genomen...''

Toen ging het snel: drie weken later, op 7 april 1944, werd Hijman Louis de Jong geregistreerd in het concentratiekamp Theresienstadt, en een half jaar later werd hij met het laatste transport naar Auschwitz gestuurd, waar hij meteen na aankomst op 31 oktober is vergast. Abraham Tuschinski was ruim twee jaar eerder al vergast, eveneens in Auschwitz.

Het gerestaureerde Tuschinski-theater wordt 8 april heropend door premier Kok en gaat op 11 april weer open voor het publiek.

Op 17 april vertoont de NPS de documentaire van Ger Poppelaars over Abraham Tuschinski: `Het grootste van het grootste', Ned.3, 20.10-21.30u.