Een rivier zonder bron of monding

In de fraaie studie `de Amstel' gaat het om het geheel: alle belangrijke aspecten van de rivier komen erin naar voren. Het enige dat ontbreekt is een monstertje Amstelwater.

Hoe ziet een vreemdeling de stad, voor het eerst in drie dimensies? Ik vraag het me wel eens af als ik in lijn 20, de toeristen- of Circle Tram zit, en daar is een gezelschap Japanners of Italianen bezig, elkaar de bezienswaardigheden aan te wijzen, kiekjes te nemen, reisgidsen te raadplegen. Het traject (één zone) voert over twaalf bruggen, waarvan er drie de Amstel overspannen. Wat zou ik graag door de ogen van een toerist willen kijken: gewaar worden wat me 52 jaar geleden overkwam toen ik op een gehuurde Solex (eerste generatie bromfiets) op zoek naar een kamer de adressen van de raamadvertenties af reed. Eén onherhaalbare keer ziet een mens iets werkelijk voor het eerst. Toen – waar ik in de oude stad ook heen bromde – had ik niet aflatend het gevoel dat ik in de bakermat van geheimzinnigheid terecht was gekomen. Een stelsel van krochten en wijd water, paleizen en pleinen en stegen die op instorten stonden, een zeer oud Disney land, en dan uit dromen die Walt nooit bezocht hebben.

Het begon met het Open Havenfront en het Noord-Zuidhollands Koffiehuis, als het houten paleisje van de waterkabouters. Dan het Damrak dat voor de Beurs plotseling halt maakte. Bij het beeld van koningin Wilhelmina te paard begon het water weer. Dan kreeg je een toren op een brug die ook een plein was. Verderop het merkwaardige schiereilandje waarover lijn vier zijn bocht uit de Bakkerstraat maakte. De Blauwbrug en de fantastische chaos van het Waterlooplein. Langs de Amstel, kreeg ik de indruk, begon daarna een ander gebied. Het prachtige huis op nummer 216, waar op de muur de ongelukkige Coenraad van Beuningen met bloed zijn boodschap aan Jacoba heeft geschreven. De Magere Brug, van aan elkaar gelijmde lucifers. Het ronde zinken dak en de gietijzer pilaren van Carré. De Amstelsluizen, de hooggerugde bruggen over de grachten, het Amstelhotel, een kasteel. De Hoge Sluis en aan het Frederiksplein de Galerij, het geheimzinnigste bouwwerk dat Amsterdam toen rijk was. (Genadeloos afgebroken). Het hield niet op.

Dit alles nog eens te zien door de ogen van de vreemdeling uit Rotterdam, die ik toen was! Zo'n theoretische wens bekruipt me soms, in de toeristentram. En nu, tot mijn verrassing heb ik gemerkt ik dat het mogelijk is, althans bij zeer dichte benadering. Ik begon in het boek de Amstel. Hoe verder ik vorderde, hoe duidelijker ik de sensatie had dat ik aan mijn eerste Amsterdamse verkenningen bezig was. De stad kwam weer tevoorschijn, nagenoeg alsof ik haar voor het eerst zag, maar dan vergezeld van de wetenschap die ik in een halve eeuw heb opgezameld. Op het eerste gezicht: de stad in een boek, als decor van je eigen geschiedenis.

Tot zover deze persoonlijke bevindingen van de bespreker. De Amstel is een boek van 330 pagina's, dat in de eerste plaats gaat over de rivier. Het hoort tot de soort van de complete boeken. Die bestaan over alle onderwerpen, in alle genres, ook romans, reisbeschrijvingen, techniek. Een compleet boek is een boek waaruit het totaal van het onderwerp tevoorschijn komt; niet tot in de laatste kleinigheden maar in zijn essentiële geheel. Een compleet boek is als een herschepping van zijn onderwerp. Ik geef toe, er zit een vleugje mystiek in, maar zo is het nu eenmaal. Je weet pas wat een compleet boek is, als je een exemplaar onder ogen hebt.

Op deze manier heeft dit boek de Amstel alles wat de lezer/kijker nodig heeft om het onderwerp te bevatten. Oude landkaarten van deze merkwaardige rivier zonder bron of monding. Oude, minder oude en nieuwe geschilderde riviergezichten, van Rembrandt, Breitner en Claude Monet om er een paar te noemen. Proza en poëzie van beroemde en minder gerenommeerde literaten die zich door het Amsterdamse water hebben laten inspireren. Vier grotere essays over de Amstel in zijn historische ontwikkeling, zijn industriële, arcadische aspecten, architectuur aan de oevers, en geschreven portretten van Amstelgebruikers, zoals een hengelaar, een sluiswachter, een caféhouder, een roeier. Op hun manier hebben ze allemaal iets essentieels aan de rivier te danken.

En dan zijn er de foto's, van het ogenblik dat het eerste bruikbare toestel in Amsterdam was aangekomen tot praktisch de dag waarop de laatste kopij voor dit boek moest worden ingeleverd. De hoeveelheid fotoboeken over de stad en het water is onoverzienbaar. Daarom is het knap als je er nog iets nieuws aan kunt toevoegen. Dat is hier gebeurd, door de selectie. Uit het werk van de fotografen is dusdanig gekozen, dat de Amstel verschijnt in zijn geschiedenis, in alle seizoenen, in strenge winters, met besneeuwde schepen, in de hondsdagen, in de melancholieke herfst, bij mist, in druilende regen wat heb je verder. Dat is ook een eigenschap: de rivier accentueert het weer.

Dit is geen boek om in een inventarisatie na te vertellen. Het gaat, zoals ik zei, om het geheel. Het enige wat er in dit opzicht aan ontbreekt is een bijlage, bestaande uit een buisje met een monstertje Amstelwater en de vermelding van plaats en tijd waarop het is gewonnen. En verder ontdek je, al lezend en kijkend, dat het decor van je eigen verleden voor je wordt ontvouwen.

Ik veroorloof me twee voorbeelden. Pagina 65 wordt in beslag genomen door een foto van Cas Oorthuys, gemaakt in 1956 en getiteld Schimmen op de Blauwbrug. Op de voorgrond wat korstige sneeuw en het silhouet van een oude dame die op haar papaplu steunt. Het beeld vervaagt in kale bomen, met in de verte de Magere Brug. Is die foto bijna een halve eeuw geleden genomen? Niet een eeuw? Door Jacob Olie? Niet gisteren? Paradox van de Amstel: de tijd gaat snel maar blijft.

En dan het vermaak aan de Amstel. Paardenburg, Het Kalfje. Hier noteer ik een omissie: café Hesp aan de Weesperzijde komt er niet in voor. Maar wel het Tolhuis. Daarover bestaat een liedje dat in het begin van de vorige eeuw populair moet zijn geweest en dat me door overlevering van vaders kant heeft bereikt. Ik citeer: `Als 't zondag is, en heel mooi weer, en lekker in de lucht, dan zegt meneer tot zijne vrouw: Kom! Nu de stad ontvlucht. We gaan naar 't Tolhuis, kiele-kiele Tolhuis, kiele-kiele hopsasa!' En zo verder. Mijn vader is geboren in de Hemonylaan, waar veel eerder (las ik nu) houtzaagmolens hebben gestaan. Als kind heeft hij met zijn vriendjes langs de Amstel gerend. Dat bedoel ik met tijdloos decor.

Vermaak aan de Amstel, of melancholie. Bij wijze van besluit citeer ik een gedicht van Martin Veltman:

Amstel Hotel

De ober had het glas al aangedragen.

Een stille bar is als een moederschoot.

Ik hield het rode weekblad dichtgeslagen,

Keek uit het raam en overdacht mijn dagen.

Hoog de rivier. Nergens een reddingsboot.

Ben Speet, Roelof van Gelder, Peter Paul de Baar, Willem Ellenbroek, Ester Wouthuysen e.a.: de Amstel. Bas Lubberhuizen, 344 blz. E50,– tot 20 mei. Daarna E65,–