Een oord van schrik

De kunstbiennale in Sao Paolo wordt beheerst door angst voor de toekomst. Dit is het dertiende deel van de reeks `Vergezichten' waarin Anna Tilroe op zoek gaat naar kunstoverschrijdende experimenten.

Uit de lucht bezien betekent Sao Paulo twintig minuten intense bebouwing, die zich aan iedere planning heeft onttrokken. Van horizon tot horizon priemen woontorens omhoog als grafzerken op een immens kerkhof. De groene plekken van de parken zijn er achteloos tussen gestrooid. Op de grootste groene plek, het uitgestrekte Ibirapuera Park staat het Biennale paviljoen. Het is een schitterend gebouw van beton, glas en staal, met een vloeroppervlak van zes voetbalvelden, ontworpen door Brazilië's beroemdste architect, Oscar Niemeyer.

De Biennale van Sao Paulo wordt er nu voor de vijfentwintigste keer gehouden. 190 kunstenaars uit 70 verschillende landen zijn aangezocht om invulling te geven aan het thema `Iconografieën van de metropool'. Beeldbeschrijvingen dus, van wat niet te vatten is.

Natuurlijk moest deze biennale over de verstedelijking van de wereld gaan. Volgens statistieken van de Verenigde Naties leeft de helft van de wereldbevolking al in verstedelijkte gebieden en het wordt hoog tijd om in kaart te brengen hoe de kunst daarop reageert. Bovendien, geen betere plek om dat te doen dan de Braziliaanse metropool die geldt als een van de grootste steden van de wereld. Zeventien miljoen inwoners, vijfentwintig miljoen in 2005. Naar schatting, want hoe tel je honderdduizenden mensen die officieel niet bestaan? Sao Paulo is ons toekomstbeeld, zeggen de denkers onder stedenbouwkundigen en architecten. En dan schetsen ze een planeet gemarmerd door mega-cities die alle net zo chaotisch, hectisch en onbeheersbaar zijn als Tokio, Johannesburg en Mexico-stad.

Een kans voor de kunst, zou je zeggen. Die kan uit haar geïsoleerde positie treden om opnieuw inhoud te geven aan het visioen dat ze bijna een eeuw lang voor zich uitgedragen heeft: modellen scheppen voor een nieuwe, betere wereld. Op de Biennale wordt omzichtig met dat visioen omgegaan. Eerst inventariseren, moet de samensteller, Alfons Hug, hebben gedacht. Hij vroeg daarvoor aan alle kunstenaars, ook aan hen die door hun land zijn afgevaardigd, om het leven in grote steden tot uitdrukking te brengen. Het werd, zoals te verwachten viel, een duizelingwekkend panorama met foto's, video's, installaties en een paar schilderijen.

Orde is er niet, naar thema's is niet gezocht. De wereld is ingedeeld naar elf metropolen die ieder door vijf kunstenaars in beeld worden gebracht: Sao Paulo, Caracas, New York, Johannesburg, Istanbul, Beijing, Tokio, Sydney, Londen, Berlijn en Moskou. Een `12de Stad' is er ook, maar die heeft nog geen naam – het getal twaalf hoort bij de `Gouden Stad' uit de Openbaring van Johannes. Op die onzichtbare, zwaar symbolische stad mochten twaalf kunstenaars uit alle werelddelen hun utopische denkbeelden loslaten.

De kunst ziet de verstedelijkte wereld als een oord der verschrikking. Waar je ook kijkt, overal ontrollen zich beelden van ontredderde mensen in een woeste stadsjungle. Chaos is de norm en als die ontbreekt is het ook niet pluis. Dan broeit er iets wat elk moment tot ontploffing kan komen. We staan op de drempel van de Apocalyps!

De oorzaken kennen we: armoede, algehele vervreemding, verlies van nationale en persoonlijke identiteit, economische uitbuiting en een falende of corrupte overheid. Ze karakteriseren de wereldsteden, van Caracas tot Tokio. Moskou is wat mij betreft de heetste plek van de hel en dat komt door de foto's van Boris Michailov.

Michailov heeft grote staande kleurenfoto's gemaakt van zwervers, zuiplappen en hoeren in een besneeuwd stadslandschap. Gespuis, dat zie je direct, maar toch is er telkens iets dat je onwillekeurig een kruis doet slaan, als bij een plat gereden dier op de snelweg. De wat boerse jonge vrouw die, ondersteund door een dronken kwibus, haar geslacht voor de fotograaf ontbloot, schokt om dezelfde reden als de ladderzatte jongen en de drie oude vrouwen die hem in al zijn naaktheid uit de sneeuw oprapen: ze stralen de berusting uit van iemand die alle hoop heeft opgegeven.

Johannesburg zit Moskou op de hielen. Ook hier beelden van mensen die leven temidden van afval in de armzaligste krotten. En zelfs dat gunt de politiek hun niet, getuige indrukwekkende zwart-wit foto's van David Goldblatt uit de jaren '60 tot '80. Een hele wijk met zelfgebouwde huisjes van Aziaten wordt daarop door een bulldozer verpletterd, waarna er bankgebouwen en parkeerplaatsen voor de blanken verrijzen. Die vervolgens weer zware beveiligingsmaatregelen vereisen.

In metropolen wordt het gevecht om ruimte, macht en geld in geconcentreerde vorm gevoerd, met architectuur als de versteende bezegeling daarvan. In Sao Paulo slaat de Avenida Paulista, een van de belangrijkste verkeersaders, alles wat imponeerarchitectuur betreft. Kilometers lang rijgen zich banktoren na banktoren aaneen, monsterachtig lelijk, maar wel onontkoombaar aanwezig. Met hun zwarte beglazing zijn sommige afwerend als een gepantserde limousine. Andere (zoals het gebouw van ABN-Amro) houden de schijn van openheid op met semi-publieke maar onaantrekkelijke binnenruimtes, waar de bewaking je continu beloert.

De plaats van architectuur en stedenbouw binnen het sociale leven wordt op deze Biennale van verschillende kanten belicht, maar niet met enig nieuw perspectief. Een enkele keer gaat er een optimistische toekomstvisie van uit, zoals bij de schetterende, architecturale constructies die Franz Ackermann schildert en de monumentale foto's die Frank Thiel en Michael Wesely hebben gemaakt van de bouw op de Potzdamer Platz in Berlijn. Daar zie je weergaloze dynamiek en een verwachting van overwinning op een zwaar belast verleden. Maar meestal wordt er kritisch of ironisch gedaan over zulk optimisme: met foto's van potdicht gemetselde huizen- en kantorencomplexen in Caracas, een maquette van een militaristisch geordend stadsdeel in Peking en een installatie met een stuk of vijftien, meer dan manshoge, in elkaar geflanste wolkenkrabbers van karton.

Dat karton is goed gekozen. Het is het materiaal waarmee de armen in alle wereldsteden daken, muren en bedden voor zichzelf fabriceren. Karton, zou je kunnen zeggen, is de voering van de architectuur van de macht. Misschien verklaart dat waarom zoveel appartementen op schoenendozen lijken: stampvol met consumptie-artikelen in Tokio, burgerlijk netjes ingericht in Caracas en bekleed met pluche in New York. Of vice versa, want overal ter wereld hechten mensen op dezelfde manieren aan hun bezittingen.

Daarom valt Michael Landy zo op. Hij heeft ruim een jaar geleden twee weken lang voor het oog van een winkelend publiek in Londen alles wat hij bezat, ontmanteld en door een machine laten vermalen: kleren, boeken, meubilair, kunstwerken van hemzelf en van anderen, jeugdfoto's, cd's, verzekeringspapieren, tv, paspoort, auto. Zevenduizend dingen in totaal. Het moest het ultieme protest tegen de consumptiemaatschappij zijn en de kunstenaar heeft er in Engeland inderdaad de kranten mee gehaald. Maar of het heeft geholpen? Volgens geruchten zou alleen Landy's moeder nog niet over de schok heen zijn.

In het Biennalepaviljoen etaleert Landy zijn onthechting met een kamer van lege plastic kratten. Er hangen ingelijste tekeningen van zijn spullen en het vermalingsproces tegen aan. Het heeft iets beschamends. Niet vanwege Landy's daad zelf, want je gelooft best dat deze symbolische vorm van zelfdestructie hem persoonlijk heeft gelouterd. Wat knijpt is dat ze gepresenteerd wordt als sociaal protest. Juist hier, in een stad waarin steeds meer mensen zich in beveiligde wijken verschansen terwijl kinderen lijm snuiven in verstikkende autotunnels, wil je meer dan oppervlakkige praatjes over die ellendige consumptiemaatschappij, want die kennen we nu wel. Ze klinken ijdel en verwend. En je bouwt er geen Utopia mee.

Ideeën over Utopia zijn nodig. Kijk maar naar de `12de Stad'. Niks stad van `zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk', maar depressie, overbevolking, verlies van historisch besef, een gemanipuleerde werkelijkheid en mensenmassa's als insectenzwermen. Werkelijk verschrikkelijk zijn de luchtfoto's van India die Armin Linke heeft gemaakt. Ze tonen een brede, halfdrooggevallen modderige rivier waarover op regelmatige afstand van elkaar kilometers lange pontons liggen, zover het oog reikt. De drijvende bruggen zijn volgepakt met mensen. Honderdduizenden? Miljoenen? Het valt niet te schatten doordat op de ene oever nog een gigantische mierenhoop van mensen staat te wachten en de andere oever niet in zicht is.

Dit kan niet waar zijn! Zo ver zijn we nog niet heen. Linke moet deze beelden hebben gemanipuleerd, net als Andreas Gursky met zijn foto's doet als hij de enorme massa's feestgangers, consumptie-artikelen, kantoorcomplexen en gecomputeriseerde geldstromen op onze planeet wil tonen. Maar Gursky, die met Jeff Koons, Sean Scully, Thomas Ruff en Vanessa Beecroft als `speciale gast' een eigen ruimte in het paviljoen heeft, is nooit onheilspellend. Hij toont de veelheid van de door ons geschapen wereld als iets met eigen schoonheid. Een schoonheid die verplettert en tegelijk euforisch stemt. Bij Linke is de schoonheid doortrokken van rampspoed: wij zijn de scheppers van onze eigen ondergang.

Angst. Als één woord deze blik op de toekomst moet omschrijven is het dat. Angst in de foto's van Spencer Tunick waarop honderden naakte mannen en vrouwen voor dood op straat liggen, slordig door elkaar heen, of in keurige rijen in New York, Montreal, Rome. Angst in de smalle, metershoge sculptuur van een in stukken uiteengespatte wereld, zoals gezien door Sarah Sze. Angst in de maquette van Isay Weinfeld en Márcio Kogan: een stad van half afgebrande gebouwen, overvolle snelwegen en een woud van krotwoningen rond het woord HAPPYLAND.

De droom van een gelukkige wereld is niet meer. De volgende wereld zal in het teken staan van wraak en extreme beveiligingsmaatregelen. De New Yorkse Nancy Davenport heeft dat al vóór `11 september' voorvoeld. Op haar foto's schiet een gemaskerde man vanaf een balkon op een overvliegend vliegtuig en brandt een wolkenkrabber uit.

In deze sfeer van doem en verderf wordt de Nederlandse inzending, `Sportopia' van Joep van Lieshout, housen op de rand van de vulkaan. Zijn uit ijzeren constructiepalen en ruwhouten vlonders opgetrokken sportschool annex pleasure center biedt gelegenheid voor fysieke inspanning en uitspatting van allerlei soort. Gewichtheffen met betonblokken, relax- en seksruimte met dertigpersoonsbedden, apparatuur voor SM-seks, inclusief een kooi voor dieren, een milieuvriendelijk toilet en, om de stemming erin te houden, overal tappunten voor sterke drank. Een mooie gelegenheid voor Paulistano's om eens even flink `uit hun dak' te gaan. Uit naam van de kunst.

Hoe nu? Terug van geblakerd Utopia naar het slagveld van het leven zelf, vonden Chris Dercon en Nelson Brissac. Ze organiseerden een kunstproject, Arte Cidade, waarbij twintig internationale kunstenaars en architecten `interveniëren in de stedelijke ontwikkeling.' Dat wil zeggen dat ze voor totaal verpauperde gebieden in de stad op kleine schaal experimentele projecten ontwikkelen die aan deze plekken hun waardigheid moeten teruggeven.

Wie, in het door drugsdealers geregeerde gebied van Sao Paulo dat de Oostzone wordt genoemd, de `interventies' bezoekt, ziet geen kunstobjecten maar een mentaliteit. Neem Antoni Muntadas. Hij heeft op tal van plaatsen in het totaal verloederde gebied betonnen zuilen neergezet met een bronzen plaket vol namen van projectontwikkelaars en stedebouwkundigen. Eronder staat wat voor rampspoed de heren ter plekke hebben aangericht, van overbodige viaducten tot opzettelijke verkrotting. Maurício Dias en Walter Riedberg halen juist `de onzichtbare man' naar voren. Ze hebben van de kooplui op een grote illegale markt grote fotoportretten gemaakt en deze op de tentdoeken van hun kraampjes gelegd. Vanaf een houten toren waar ze op een video hun persoonlijke levensverhaal vertellen, zie je beneden hun gezichten deinen als papier op het water.

`Onzichtbaar' in de zin van niet meegeteld zijn ook de papierrapers voor wie Krysztof Wodiczko een licht en praktisch karretje heeft ontworpen. En de kinderen van de Oostzone. Met een groepje van hen hebben de Nederlandse architecten Paul Meurs en Ton Matton voetbalvelden op parkeerplaatsen geschilderd, die nu door de kinderen met hand en tand worden verdedigd. Ze lijken er een verlegen eigenwaarde aan te ontlenen, net als de daklozen voor wie Vito Acconci onder een viaduct een platform heeft gebouwd. De in lompen geklede mannen, vrouwen en kinderen kunnen daar hun kleren wassen, een douche nemen en naar het toilet.

O ja, het is genant om als kunsttoerist naar dit alles te staan kijken. Maar de aandacht wordt terdege opgemerkt: door de onzichtbaren die er een sprankje waardigheid aan ontlenen, door de drugsbaronnen die zich misschien ongemakkelijk gaan voelen én door de overheden. De laatste weten dat kunsttoerisme een belangrijke economische impuls kan geven aan hele wijken. Daarom laten ze ons toe in hun zwartste geheim.

Biennale van Sao Paulo, Parque do Ibirapuerra, Sao Paulo. Tot 2 juni. www.bienalsaopaulo.org.br Arte Cidade, Zona Leste, Sao Paulo. Tot 30 april. www.uol.com.br/artecidade/english/ 2002frame–ie.htm