Een groter Europa is echt niet te duur

Uitbreiding van de Europese Unie en invoering van de euro in de nieuwe lidstaten wordt door velen als een bedreiging gezien voor het verenigd Europa. Dat is ten onrechte, meent Charles Robertson. Die angst is ingegeven door de negatieve ervaringen met de Duitse eenwording. Toetreding van de nieuwe lidstaten werkt juist welvaartverhogend.

De grootste eurofans worden vaak eurosceptici als het over de uitbreiding van de Europese Unie gaat. De Duitse beleggingsbeheerders die ik in Frankfurt heb ontmoet, hadden tot mijn verbazing heel reële zorgen over de toetreding van landen uit Oost-Europa en, belangrijker nog, over de invoering van de euro aldaar. Als deze welingelichte pro-Europeanen zich al ongerust maken over de uitbreiding, dan moeten we dat misschien allemaal wel doen.

Hun ongerustheid geldt voornamelijk de vraag of die landen economisch wel klaar zijn om zich aan te sluiten en hoeveel een historische uitbreiding met mogelijk liefst dertien landen de EU zal gaan kosten. Praat met mensen op straat en er komen nog meer angsten naar voren. Zullen er banen in West-Europa door Polen worden ingenomen, of zullen de belastingbetalers van de EU noodgedwongen meer belasting gaan betalen om aan Oost-Europeanen te besteden? Achter dit alles schuilt het beeld dat de nieuwe leden uit Oost-Europa ons allemaal eerder geld kosten dan iets opleveren, en economisch ook nog eens slecht voorbereid zijn.

Maar de ervaring uit het verleden leert dat het lidmaatschap van de EU de groei en rijkdom stimuleert en dat de hele EU daar baat bij heeft. Ierland, het armste lid van de EU in 1973, staat nu op het punt een netto-betaler aan de EU-begroting te worden, doordat zijn economie zo snel is gegroeid. Het Portugese bruto nationaal product per hoofd van de bevolking is van zo'n tweeduizend dollar in 1986 gestegen tot circa tienduizend dollar in 1998.

Bij de aanstaande uitbreidingsronde zal Duitsland zelfs het meest van alle EU-leden profiteren van de nieuwe handels- en investeringskansen, en Duitse politici zijn de meest uitgesproken voorvechters van die uitbreiding. Maar veel Duitsers zijn extra op hun hoede omdat de uitbreiding hen zo doet denken aan hun eigen ervaring met de integratie van hun voormalige communistische deelstaten in het oosten.

Oost-Duitsland is een enorme economische last voor Duitsland geworden, veel zwaarder dan verwacht. West-Duitsland heeft jaarlijks zo'n vijftig miljard dollar in Oost-Duitsland gepompt en toch blijft het productiviteitspeil ook twaalf jaar na de hereniging nog achter bij dat van West-Duitsland. De werkloosheid is er nog altijd hoger dan in het westen en nog altijd moet de regering bedrijven subsidiëren om ze te bewegen in het oosten te investeren. Geen wonder dat oud-kanselier Helmut Schmidt schijnt te hebben gezegd dat de Duitse economie misschien pas in 2010 weer op het glorieuze peil van de jaren tachtig zal zijn.

Maar de verschillen tussen het Oost-Duitse geval en de komende uitbreiding zijn groot en veelzeggend, en doen vermoeden dat de EU van uitbreiding economisch weinig te vrezen heeft. Toen kanselier Helmut Kohl voorstelde om Duitsland te herenigen, paaide hij het oosten met de belofte van een wisselkoers van één op één, waarbij elke Ostmark werd ingeruild voor een West-Duitse mark. Politiek was dit briljant (de CDU won de verkiezingen van 1990). Misschien was het ook moreel wel juist. Maar we kunnen inmiddels zien dat die beslissing een economische ramp is geweest.

Op slag hadden de Oost-Duitse consumenten een veel hogere welstand en hogere lonen, maar zonder dat daar een productiviteitsverbetering tegenover stond. De consumptie schoot omhoog, maar de Oost-Duitse goederen en banen werden uit de markt geprijsd. Ondanks de reusachtige toestroom van gelden die de infrastructuur in Oost-Duitsland verbeterden, wilden er maar weinig directe investeerders uit het buitenland geld steken in een gebied met hoge kosten en een lage productiviteit. De werkloosheid vloog omhoog. Veel Oost-Duitsers trokken naar het westen om een baan te vinden of deden noodgedwongen een beroep op een uitkering van de federale overheid. Twaalf jaar later kan nog steeds worden gesteld dat Oost-Duitsland een belangrijke factor is achter de Duitse begrotingsproblemen die onlangs de onwelkome aandacht van Brussel hebben getrokken.

Zal hetzelfde scenario zich in Oost-Europa voltrekken? Dat ligt niet voor de hand. In tegenstelling tot de Oost-Duitsers hebben de Oost-Europeanen al een overgangsperiode van een jaar of elf, twaalf achter de rug en zijn ze ook nu nog twee tot drie jaar verwijderd van het EU-lidmaatschap en vijf jaar van het euro-lidmaatschap. Hun wisselkoersen worden door de markt bepaald of hebben zich, in de kleinere economieën, in de loop der tijd bewezen. De Estlandse kroon is bijvoorbeeld al sinds 1992 aan de mark/euro gekoppeld langer dan de Franse franc.

Deze economieën zijn tot grote bloei gekomen. De gemiddelde groei in de tien landen die klaarstaan om zich in 2004/2005 bij de EU aan te sluiten, overtrof sinds begin jaren negentig elk jaar die van de EU. Tegelijkertijd zijn hun munten opgewaardeerd doordat de markten hun productiviteitsstijging hebben erkend en de investeringen zijn binnengestroomd. De lonen zijn gemiddeld tienmaal zo laag als in de EU. Het oosten heeft vrijhandel met de EU en de belofte van een muntunie met de EU die het valutarisico zal wegnemen. Intussen zullen de munten jaarlijks wel een paar procent worden opgewaardeerd, zodat investeringen waarschijnlijk in waarde zullen stijgen.

Geen wonder dat de Tsjechische of Hongaarse export nog altijd groeit, ondanks de economische terugval in EU, doordat deze landen steeds meer zeer hoogwaardige export bieden. Wie een Audi TT voor zichzelf of een Microsoft X-box voor zijn kind aanschaft, koopt een Hongaars exportproduct. Wie de goedkoopste Volkswagen wil kopen, of een Panasonic-videorecorder, koopt die uit de republiek Tsjechië.

Deze producten zijn vooral voor de export, maar zullen ook steeds meer voor de binnenlandse markt zijn. De honderd miljoen Oost-Europeanen die klaarstaan om zich bij de EU aan te sluiten hebben weinig schulden, hypotheken, creditcards of uitstaande studieleningen. In Oost-Europa belopen de leningen aan de particuliere sector (bedrijven en huishoudens) niet meer dan 30 procent van het bruto nationaal product, vergeleken bij 100 procent van het BNP in de EU. Er is een bloeitijd in aantocht waarin de hogere opleiding, stijgende productiviteit en dalende rentetarieven bij de Oost-Europeanen tot een aanzienlijke consumptie zullen leiden.

Als gevolg hiervan is er in Oost-Europa (en voor West-Europese exporteurs) een zeer hoge groei op komst. De sterke stijging van de overheidsinkomsten die daarmee gepaard gaat zal zeer van pas komen bij de bezuinigingen op verplichtingen die volgens sommigen noodzakelijk zijn; anderzijds blijven veel West-Europese staten weer achter bij het oosten op het terrein van privatisering of pensioenhervorming.

En de kosten van dit economische wonder voor de EU-begroting bedragen niet de vijftig miljard dollar per jaar die Duitsland besteedt aan de oostelijke deelstaten, en ook niet de 35 à 40 miljard dollar die de EU aan het gemeenschappelijke landbouwbeleid besteedt. Het gaat maar om een nietige 2,7 miljard dollar per jaar, tenminste tot 2004/2005. Daarna zullen de kosten inderdaad stijgen, naar schatting van de Europese Commissie tot netto 11 miljard dollar in 2006. Maar dat is geld dat de groei aanwakkert waardoor Oost-Europa weer veel meer aan EU-export zal uitgeven. Nu al staan Polen, Tsjechië en Hongarije in de toptien van EU-exportbestemmingen.

Het gevaar van de uitbreiding en de integratie in de EU is niet dat ze te snel zullen gaan, maar dat ze elke keer weer worden uitgesteld. De EU zou het proces juist moeten versnellen en moeten bevorderen dat de euro nog eerder wordt ingevoerd. Des te eerder plukt de hele EU de vruchten van de uitbreiding.

Charles Robertson is als econoom werkzaam bij ING Financial Markets in Londen. © Dow Jones & Company, Inc.