Dol op heksen

Tenor Ian Bostridge werkte als geleerde in Oxford, maar koos voor de muziek. Maandag wordt bekend of hij voor het tweede jaar een Edison wint als liedzanger.

Zijn zingen roept vragen op. De liederencycli van Schubert en Schumann, lieflijk romantische Engelse `songs', veeleisend eigentijds repertoire – welke uitvoeringswetten gelden in de liedkunst? Wat maakt een zanger tot een liedzanger? Het zijn vragen naar de bekende weg, maar waar tenor Ian Bostridge de stem verheft, verliezen bekende wegen hun vertrouwdheid.

Liedzangers zijn er in vele soorten. De op en top Britse Ian Bostridge (37) – uiterlijk een uit zijn krachten gegroeide schooljongen – is in de eerste plaats een geboren verteller. Fluwelig en elegant plooit hij zijn stem in liederen over de liefde, bruusk en onstuimig klinkt een lied als Schumanns `Warte, wilder Schiffmann' (Liederkreis op. 24). Geen tenor, nu niet en vroeger niet, is in staat zò trekkerig venijnig zingen als Bostridge. ,,Een goed liedzanger is in staat de inhoud van een lied te intensiveren, te doen oplichten'', lacht hij. ,,Luchtige of zwierige liedzangers staan me niet aan. Ze doen afbreuk aan de nauwe wisselwerking tussen tekst en muziek waar het kunstlied op drijft.''

Op Palmzondag was Ian Bostridge bij het Koninklijk Concertgebouworkest te gast als evangelist in Bachs Matthäus Passion. Volgend seizoen keert hij er terug in de Johannes Passion. Bostridge: ,,Ik ben geen kerkganger, maar bespeur bij mezelf wel een religieuze sensitiviteit. Meezingen in de Matthäus is voor mij de bezigheid die het dichtst raakt aan religieus praktiseren. Dat lijkt een ketterse uitspraak, maar zo voel ik het niet. Bach zag zijn Matthäus Passion zelf ook als een middel om nader tot God te komen.''

Bostridge heeft zijn boomlange, twijgranke lendenen – op internet zijn sites gewijd aan zijn wonderlijk androgyne, doodsbleke uiterlijk – katachtig indolent uitgestrekt over de chaise longue in zijn hotelkamer. Hij lijkt ontsnapt uit een aflevering van Brideshead Revisited, en zijn feitelijke achtergrond en ironische verteltrant sluiten aan bij dat profiel. Eerst koorknaap, later kostschooljongen, aansluitend student geschiedenis en filosofie in Oxford en Cambridge. Hij promoveerde op de dissertatie Witchcraft and its Transformations 1650-1750, die door Oxford University Press werd uitgegeven. Pas in 1995 trok Bostridge de deuren van het Corpus Christi College definitief achter zich dicht om professioneel door te gaan als zanger.

Koorknaap

,,Als koorknaap hoopte ik al voortdurend dat ik een solo zou mogen zingen'', vertelt hij. ,,Later, op kostschool, gaf ik voor mijn plezier liedrecitals voor mijn vrienden. Het kwam niet in me op zanger te worden, maar ik maakte wel opnamen van mijn `optredens'. Ik heb onlangs niet tot mijn genoegen een van die cassettes beluisterd. Schumanns Dichterliebe door een dun, nèt gebroken tenorstemmetje. Hoogst eigenaardig! Pas vanaf ongeveer mijn vijfentwintigste werd het zingen serieus, en huurden amateurkoren me in als solist. Maar mijn baan als wetenschapper heb ik pas opgegeven toen ik zeker wist dat ik van het zingen kon leven. Geldgebrek was mijn grootste angst, het ontberen van een muziekvakopleiding heeft me nooit zorgen gebaard en nooit zorgen opgeleverd.''

In 1996 nam Bostridge Schuberts liedcyclus Die schöne Müllerin op voor de prestigieuze Hyperion Schubert Edition, een cd-uitgave van Schuberts liederen die in 2000 werd voltooid. Op de cd treedt bariton Dietrich Fischer-Dieskau op als declamator van de teksten die wél in de oorspronkelijke gedichtencyclus voorkomen, maar niet door Schubert op muziek werden gezet. ,,Ik ben bij Fischer-Dieskau op bezoek geweest om voor te zingen'', vertelt Bostridge. ,,Dat was griezelig, maar zéér inspirerend. Hij zong de liederen noot voor noot met me mee, en sommeerde me méér belcanto te zingen, en op elke noot te vibreren. Dat vond ik grappig, want dat doet hij zelf lang niet altijd. Maar míj hielp zijn raad, en tot nu toe is hij vol lof voor wat ik doe. Helaas kent hij alleen mijn cd's. Ik vrees altijd dat hij zich bedenkt zodra hij me hoort in een recital. Bij elk concert in Duitsland speur ik bezorgd de zaal af of ik hem zie zitten.''

Fischer-Dieskau, Janet Baker, Matthias Goerne – Bostridge somt moeiteloos het rijtje favoriete collega's op. Zangers die leven voor het lied en erin slagen een ongekende intensiteit te verlenen aan de liederen die ze vertolken. ,,Die intensiteit maakt ze tot grote liedzangers. Maar `intens' is zeker niet synoniem aan intellectualistisch, zoals soms wordt verondersteld. Zingen gaat over teksten, maar óók over frasering. Hoe geef je een melodie gestalte? Hoe bouw je spanning op? Alle muziek, met of zonder tekst, heeft de gedaante van een verbale uiting, en moet dus klinken alsof ze iets betekent. Om dat te bereiken is spontaniteit een beter middel dan intellect. Ik bestudeer mijn repertoire daarom vooraf nooit àl te grondig. Je moet ruimte bewaren voor de flarden inspiratie, de frisse opwellingen en nieuwe verbanden die je tijdens een uitvoering invallen. Met andere woorden: iemand kan een fantastische zanger zijn, zonder ook maar enigszins intellectueel te zijn aangelegd.''

Voor Bostridge zelf ligt dat anders. ,,Ik ben als intellectueel getraind – dat wis je niet uit'', zucht hij, en maakt een weids gebaar naar de stapel boeken op zijn nachtkastje. ,,Soms helpt het, soms hindert het. Veel van mijn werk als een professioneel zanger is er de afgelopen zes à zeven jaar op gericht geweest natuurlijker, meer vanuit het lichaam te zingen. Als je gewend bent om dagelijks met stijve schouders achter de boeken te zitten, dan zing je ook verkrampt. Het is dus in elk opzicht beter dat ik niet ben doorgegaan in de wetenschap. Voor een extravert iemand kan een academische loopbaan een goed idee zijn, voor een introverte natuur biedt de universitaire wereld de ideale omgeving om definitief tot een kluizenaar te verworden. Zingen dwingt mij kanten van mijn persoonlijkheid te ontwikkelen die anders braak zouden zijn blijven liggen.''

Bostridge's vocale ontwikkeling hing tot nu toe nauw samen met zijn muzikale ontmoetingen. Violist/dirigent Fabio Biondi introduceerde hem in de oude muziek. Regisseuse Deborah Warner coachte hem in onder meer de ontroerend ongekunstelde theaterproductie van Janáceks liedcyclus Diary of one who vanished die vorig jaar te zien was in het Holland Festival en onlangs op cd uitkwam.

Bepalend bovenal was tot nu toe echter Bostridge's alliantie met pianist Julius Drake. Samen namen ze vijf cd's met liederen op die stuk voor stuk werden bekroond. The English Songbook, een album met lieve liederen van minder bekende Engelse componisten uit de 19de eeuw, won vorig jaar een Edison. Dit jaar is de opname met speciaal voor Bostridge gecomponeerde en door hem uitgevoerde liederen van Hans Werner Henze genomineerd voor een Edison, die maandagavond wordt uitgereikt.

Ondanks het succes van zijn partnerschap met Drake, werkt Ian Bostridge op zijn binnenkort te verschijnen albums met liederen van Noël Coward en Schubert (gepaard aan diens pianosonates) samen met pianisten Jeffrey Tate en Leif Ove Andsnes. ,,Beide projecten waren een suggestie van de platenmaatschappij en ik stond er aanvankelijk zeer afwijzend tegenover'', verklaart Bostridge. ,,Maar op een krappe markt moet elke nieuwe opname een zo groot mogelijk publiek bereiken, dus laat men populaire artiesten samenwerken om de omzet te verdubbelen. Alleszins begrijpelijk, maar ik hanteer mijn eigen voorwaarden. Gelukkig bleken de ontmoetingen met zowel Tate als Ove Andsnes aangenaam en vruchtbaar, dus hoefde ik geen conflict aan te gaan."

Druk

Komend seizoen wordt een druk jaar. Bostridge moet zijn nog prille gezinsleven verenigen met méér opera-engagementen dan ooit tevoren. ,,Ik vond dat ik te weinig opera zong, en had dit bewust gepland. Véél nieuwe rollen, allemaal met beleid uitgezocht. Maar nu zing ik in één seizoen vijf grote producties, en dat is weer wat al te extreem. Naast de oratoria en de liedrecitals blijft er te weinig tijd over voor, bijvoorbeeld, het schrijven van artikelen. Dat is jammer.''

Bostridge's laatste publicatie verscheen vorig jaar – een recensie van een boek over muziektheorie en magie in de 17de eeuw. ,,Het onderwerp blijft me bezighouden'', erkent hij. ,,Niet zozeer hekserij of magie in het bijzonder, maar de relatie tussen rationaliteit en irrationaliteit. Daar hangt mijn fascinatie met muziek ook mee samen. Al in de Renaissance leefde het idee van muziek als een profetische vorm van magie. Later waren er de filosofische ideeën van Schopenhauer, die muziek in zekere zin ziet als de beste representatie van hoe de metafysica van de wereld werkt. Zelf koester ik óók nog steeds die in wezen romantische houding muziek te willen zien als iets mysterieus. En daarbij sluit dan ook weer de houding aan van een modern analyticus als Wittgenstein, die vond dat we moeten zwijgen waarover we niet kunnen spreken. Muziek zegt ons de dingen die we op een andere manier niet kunnen zeggen. De essentialia van leven, liefde, dood. Ondanks een streng geordend systeem lijkt muziek tóch op iets metafysisch te wijzen. Dat is een eeuwig intrigerende paradox!''

`Sechs Gesänge aus dem Arabischen' van Hans Werner Henze door Ian Bostridge en Julius Drake (EMI, 5 57112 2). Komend seizoen is Bostridge op 8/9, 3/2, 5/2, 11/3 en 13/3 in het Concertgebouw te beluisteren. Res.: (020) 6718345. De uitreiking van de Edisons wordt op zondag 21 april uitgezonden op Ned.3 om 13.05 uur.