Deskundigen op drijfzand

Als het aan Martin Kramer ligt, krijgen Midden-Oostendeskundigen geen cent meer van de Amerikaanse overheid. Kramer lanceerde deze frontale aanval in een artikel eind vorig jaar in de Wall Street Journal, dat gebaseerd is op zijn boek Ivory Towers on Sand. De studie van het Midden-Oosten is `ernstig ziek', vindt Kramer, en `heeft niets gedaan om Amerika voor te bereiden op de confrontatie met het moslimextremisme'. Midden-Oostenexperts zitten er voortdurend naast met hun voorspellingen en verklaringen. Bovendien blijken de deskundigen bijzonder hardleers wanneer de feiten hun analyses tegenspreken. Zo bleven de academici na de aanvallen van 11 september `in een staat van ontkenning' en `weigeren zij toe te geven dat samen met de Twin Towers ook hun paradigma's ten onder zijn gegaan'.

Kramer, auteur van een aantal boeken over het Midden-Oosten, beschrijft zichzelf als een `intieme vreemdeling', die al jarenlang het vakgebied met scepsis gadeslaat. Het uitbreken van de burgeroorlog in Libanon (1975), de islamitische revolutie in Iran (1979), de Iraakse invasie in Koeweit (1990) de experts werden door al deze wapenfeiten volkomen overrompeld. Waar de experts helemaal tekortschoten was bij de opmars van gewelddadige islamistische groeperingen. Kramer beweert dat, terwijl zulke groepen zich voorbereidden op de jihad, Amerikaanse academici hun tijd verdeden met onbenullige conferenties over `moslimse Luthers', die in de regio zelf nauwelijks op enige aanhang konden rekenen.

Andere experts schreven dikke boeken over de `opkomst van de `civil society' en `democratisering', terwijl in het `feitelijke Midden-Oosten' autoritaire maatschappijstructuren, religieus fanatisme en corruptie hoogtij vierden. Het is daarom niet verwonderlijk dat de deskundigen geen benul hadden van het gevaar van Osama bin Laden en zijn aanhangers. Erger nog, de meeste experts bagatelliseerden de `islamistische dreiging' en beschuldigden andersgezinden van racistische prietpraat en stigmatisering, aldus Kramer.

Het `imperium der dwalingen' dat de deskundigen op deze wijze voor zichzelf optrokken, verklaart Kramer aan de hand van een diepgewortelde partijdigheid en een heersende cultuur van `politieke correctheid'. Terwijl tot 1967 de meeste Midden-Oostenexperts objectiviteit hoog in het vaandel droegen, verzandde, volgens Kramer, het vakgebied met de escalatie van het Arabisch-Israëlische conflict, in oeverloos politiek gekibbel. Ook de kritiek van de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Saïd op de vooringenomenheid van de westerse studie naar het Midden-Oosten (Orientalism, 1978) leidde tot de dictatuur van `een hiërarchie van aanvaardbare politieke loyaliteiten'. De universitaire Midden-Oostencentra en geldschieters gedroegen zich in dit verband als een nomenklatoera, meent Kramer, die een onbezonnen en politiek vooringenomen onderzoeksprogramma oplegde en financierde.

Machtspositie

Kramers politieke bedoelingen zijn duidelijk. Elke studie van het Midden-Oosten die door de overheid wordt gefinancierd moet het `nationaal belang' dienen en `bijdragen aan de Amerikaanse machtspositie' in de regio. Midden-Oostendeskundigen verwijt hij tot vervelens toe zich te distantiëren van het `landsbelang' en elk contact met de overheid te schuwen. De ironie wil dat vrijwel alle `mislukte' onderzoekprojecten waaraan Kramers refereert, werden uitgevoerd door deskundigen, die wel degelijk hechte banden onderhielden met Amerikaanse beleidsvormers. De `moderniseringstheoretici', die in de jaren zeventig zo faliekant de plank mis sloegen met hun geruststellende verhandelingen over het `stabiele' Iran van de shah, lieten zich bijvoorbeeld inspireren door Samuel Huntington, die toch niet bepaald door het leven ging als een progressieve wereldverbeteraar met oogkleppen op. John Esposito, een andere zondebok in Kramers betoog, stelde zijn studieproject over islamistische bewegingen en democratisering, in dienst van leden van het Congres die hoopten in het Midden-Oosten islamistische bondgenoten te vinden.

Dat in de studieprojecten die Kramer noemt nauwelijks aan de orde komt wat zich werkelijk in het Midden-Oosten afspeelt, laat zich juist verklaren door de hechte banden van veel Amerikaanse deskundigen met de overheid. De onderzoekers concentreerden zich op wat er in de regio zou moeten gebeuren zoals `modernisering', een moslimse reformatie en democratisering. Al deze onderwerpen staan al jarenlang op het officiële verlanglijstje van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Onverschilligheid

Bovendien kun je niet alle Midden-Oostendeskundigen verwijten dat zij nalieten te waarschuwen voor de factoren die Bin Laden en zijn geestverwanten aangrepen voor hun terroristische daden. Het prominente Amerikaanse Midden-Oostentijdschrift Middle East Report staat al jaren vol met verhandelingen over de kwalijke gevolgen van de Amerikaanse onvoorwaardelijke steun aan Israël, de schending van Palestijnse mensenrechten en de Amerikaanse onverschilligheid voor de lokale verbolgenheid over de legering van Amerikaanse troepen in Saoedi-Arabië. Maar slechts zelden wordt deskundigen die dit soort factoren beklemtonen, gevraagd om Amerikaanse beleidsvormers met hun ideeën te verlichten.

Het is door deze gaten in zijn betoog dat Kramer zijn toevlucht zoekt in persoonsgerichte retoriek. Zo voldeed in Kramers ogen Edward Saïd aan het einde van de jaren zeventig niet aan een wijdverbreide behoefte om ook het Palestijnse standpunt verwoord te zien, maar greep hij zijn kansen comfortabel gestationeerd `binnen het bereik van een taxirit naar het epicentrum van de media in Manhattan'. Dit soort zinsneden wordt doorspekt met rancune jegens Kramers meer succesvolle collega's die, zoals de auteur benadrukt, voorheen een stoffig bestaan leidden aan `tweederangs universiteiten'. Kramer spreekt zichzelf vervolgens tegen door in zijn conclusie als verwachting uit te spreken dat de gewenste verandering van het vakgebied op gang zal worden gebracht door `individuele onderzoekers die nu worden verdrukt in de marge'.

Midden-Oostendeskundigen hebben na de aanvallen van 11 september veel om over na te denken. Zo zouden zij kunnen overwegen om niet langer studies van groeperingen zoals die van Bin Laden over te laten aan thinktanks die er alleen op uit lijken te zijn om hun islamofobische standpunten bevestigd te zien. Maar afgaande op de commotie rondom Kramers boek lijkt van een nuchtere revaluatie van het vakgebied vooralsnog geen sprake.

Martin Kramer: Ivory Towers on Sand, The Failure of Middle Eastern Studies in America, The Washington Institute for Near East Policy (WINEP), 137 blz. circa E20,–. Te bestellen via: http:// www.washingtoninstitute.org.