De man van marmer

W.J. van der Molen voelde zich miskend als dichter en verruilde zijn pen uiteindelijk voor een fototoestel. Onlangs overleed hij.

Soms lijk ik wel Allen Ginsberg – ik huil bijna elke dag. Laatst zelfs twee keer op een dag: eerst 's ochtends, toen ik in de krant een foto zag van Yoko Ono dij aan dij met mrs. Blair, die in Liverpool samen het John Lennon Airport openden. En later diezelfde dag nog toen ik in een film op televisie opeens de oerversie van Cole Porters Night And Day hoorde. ,,Night and day, you are the one...'' Zo'n hoge, bijna vrouwelijke mannenstem, tegen het falset aan. En dat terwijl ik eigenlijk nooit en altijd vond dat, en ik – ja, ik weet het, ik weet het.

Hoe dan ook, mijn oom Wim is dood. Een maand geleden overleed hij, 78 jaar oud, ten gevolge van zijn tweede beroerte. Zijn eerste van een paar jaar terug had hij kort daarvoor samengevat in een van zijn haiku's: ,,Een schuiven van iets,/ vaag binnenin het hoofd,/ als iets dat valt.'' Want oom Wim was dichter, zij het aanvankelijk niet van haiku's. Dat kwam pas later, veel later, bij wijze van tweede dichtersleven – als wraak op al diegenen die zijn eerste hadden vergald.

Zijn schrijversloopbaan begon in 1946 met de publicatie van de gedichtenbundel Gered voor vannacht in de serie `De Windroos' onder redactie van Ad den Besten. Later volgden onder meer nog De onderkant van het licht en Bezeten orkest – waarvan het titelgedicht als volgt begint: ,,De balzaal van dit uitgelaten leven/ opent zijn deuren voor een wereld lang/ en de muziek voert vluchtig en bedreven/ zijn hoofse gasten naar de ondergang.'' Geen rock-'n-roll dus – die was er trouwens nog niet eens. En bovendien: wat wil je, de nacht en nevel van de Tweede Wereldoorlog waren nog maar nauwelijks opgetrokken. Anderzijds: jazz was er al wel, in overvloed en verdomd goeie ook, en er waren in 1946 ook al dichters, een hele generatie, nauwelijks jonger dan oom Wim, die juist van alles en nog wat wilden en, als het even kon, méér en méér en niet later – omdat er na al die dood en destructie in de wereld eindelijk weer eens iets te beleven viel.

De poëzie van W.J. van der Molen, zoals oom Wim voluit heette, werd door critici nogal eens getypeerd als `uit marmer gehouwen', `in beton gegoten', `zwaar als graniet'. Misschien kwam het door zijn achternaam, al die associaties met `steen' of door zijn poëtische vuistregel: ,,Ik moet meer steen zijn, met gelijk geduld/ de oerkracht in mij laten spreken.'' Met zijn proza was het niet veel anders gesteld. Vergeleken bij zijn enige gepubliceerde roman, Tien tenen en elf ribben (met de twaalfde was Eva er vandoor gegaan), had het werk van die andere W.J., de hilarisch-zwartgallige Van Oudshoorn, het soortelijk gewicht van een danspas van Fred Astaire. Wims zoon – mijn neef Hans – en ik lazen elkaar begin jaren zestig, tussen twee plaatkanten van Dizzy of Monk door, proestend van de lach zinnetjes uit dat boek voor. ,,Zijn woede kwam niet van de grond, bleef sissend plakken aan zijn stoel, als een vuurpijl die te nat was om op te stijgen.''

Nachtclub

Hans was bijna op de minuut af twee jaar ouder dan ik, een lange blonde jongen met vroegwijze ogen, die, altijd kaarsrecht, rondliep in een zwarte coltrui en een witte regenjas. Aan een zomerse duik in ondiep water had hij een permanente stijve nek overgehouden. Met hem en zijn halfzuster Annetje, met haar donkere schoonheid zelf al jaren de koningin van nachtclub de Lucky Star, bezocht ik illegaal de Phonobar en de Cave International op het Amsterdamse Thorbeckeplein. Oom Wim had tegen die tijd, uit protest tegen de verderfelijke invloed van de Vijftigers (zijn vriend en collega Bertus Aafjes sprak van de `SS' die daarmee de Nederlandse literatuur was `binnengemarcheerd'), zijn pen al verruild voor een fototoestel. Als jonge boze dichter had hij lang op de zak kunnen teren van diverse bewonderaarsters die gevallen waren voor zijn door de koorts van het doodsdenken verhitte blik. Om geld te verdienen voor zijn gezin en tegelijk zijn hongerige camera de kost te kunnen geven trok hij nu voor een grote verzekeringsmaatschappij claims uit het buitenland na waar een luchtje aan zat.

Hans en ik waren grote proesters. Wanneer wij onze oma, de moeder van zijn moeder en van mijn vader, opzochten in het ziekenhuis, moesten wij allebei een zakdoek in onze mond proppen om de slappe lach binnen te houden. Oma, die ons wel af en toe kon horen hikken en slikken maar niets kon zien, vroeg dan of we soms verkouden waren. Toen ze was gestorven en opgebaard lag in het strijkhok van een katholiek verzorgingshuis in Amsterdam-Zuid, zijn we ook weer wezen kijken. De ouders van Hans waren er ook. Zijn moeder, tante Jettie – die zich haar hele leven voor haar moeder verstopt had – huilde met lange uithalen, terwijl oom Wim ons met zijn scherpe Zaanse accent opmerkzaam maakte op de dikke zwarte haarlok die als een handvol ravenveren tussen de dunne witte haren op het hoofd van oma was opgeschoten.

Op haar begrafenis zijn we niet geweest, Hans en ik, en in mijn herinnering zagen we elkaar pas weer op die van mijn vader, ruim twintig jaar later. Hij zag er goed uit, mager als een vogelverschrikker, maar scherp en helder, als iemand die het ergste achter de rug heeft. We besloten snel iets af te spreken, binnen tien jaar als het even kon. Niet dus. Een jaar later hebben we hem begraven op nog geen tien meter van mijn vader. Hij was naar zijn huisarts gegaan met het verhaal dat hij een maandje naar Zweden op vakantie wilde en had vervolgens de hele voorraad methadon die hij voor die tijd had meegekregen diezelfde middag nog in één keer ingenomen. Niemand heeft ooit de moeite genomen een steen op zijn graf te laten zetten.

Zijn vader, mijn oom Wim, de man van marmer, heb ik sinds die tijd, misschien een keer of drie gezien; de laatste keer nog maar een paar maanden terug op zijn boerderij in Drenthe, om te vragen wat hij zich nog kon herinneren van de tijd, lang geleden, dat mijn vader en hij zwagers waren. Bitter weinig, naar bleek – of, vermoed ik eigenlijk: naar hij deed voorkomen. Misschien dat het door mijn gezelschap kwam, een filmmaker die onder veel meer een wandelende almanak is van levende en dode dichters, of door de geur en kleur van de periode die wij hem vroegen bij zichzelf op te roepen – maar elk spoor dat hij in zijn herinnering vond, leidde onherroepelijk terug naar het bittere onrecht dat hem in die tijd als dichter was aangedaan. En met hem ook H.J. van Tienhoven, Jan Vermeulen, Guus Valleide, Michael Deak, Coen Poort: een lange reeks van fletse namen die samen het begrip `vergetelheid' definiëren – althans, die middag in Drenthe, komend uit de mond van W.J. van der Molen, die, uit protest tegen de anarchie in de naoorlogse poëzie, had besloten zijn pen te begraven.

Tot hij hem – en in mijn gedachten zie ik daarbij, als door het raam van een tijdmachine, in een bijna abstracte werveling van wit, groen, geel, bruin, wit, groen et cetera, de seizoenen voorbij flitsen – op een dag weer opgroef, die pen, en zijn eerste haiku schreef. En nu geef ik toe: ik ben geen groot fan van de haiku. Zeventien lettergrepen volgens een vast principe verdeeld over drie regels. Sommetjes, breinbrekers, cryptogrammen. Zondagsvermaak voor het soort taalfetisjisten dat ingezonden brieven schrijft aan krant en weekbladen om redacteuren te wijzen op hun onverantwoorde spellingsgedrag. Controlfreaks. Afknijpers. Literaire duivenmelkers.

Jonge weduwnaar

De mooiste haiku's die ik ken staan in het schoolschriftje dat Buddy Glass, J.D. Salingers verteller in de novelle Seymour: An Introduction, van zijn broer uit de titel heeft geërfd. Ze worden nergens geciteerd, Seymours haiku's, alleen beschreven, fictie binnen fictie, en dat is juist de kracht ervan. Vooral die haiku – of beter: niet-haiku – over een jonge weduwnaar die 's nachts op het natte gras van zijn voortuin, met naast zich een kat en in de zak van zijn kamerjas een gebalde vuist, naar de maan zit te kijken, is mij altijd bijgebleven. Ik weet niet waarom. Maar die ene die ik nu van oom Wim ken, over dat vreemde vallen binnenin, en die nu op zijn overlijdensbericht prijkt, mag er ook wezen. Vooral omdat daarin het beoogde effect van elke haiku – een kleine, maar ingrijpende verschuiving van perspectief – bijna fysiek samenvalt met de fatale verschuiving in het hoofd die een beroerte is.

Toch moet ik, nu hij dood is, oom Wim, vooral denken aan het gedicht Bezeten orkest waaruit ik eerder al de eerste strofe citeerde. De laatste strofe daarvan gaat zo: ,,Daar sterft gij verder, tot een aderkramp/ uw lichaam laat aan larven en aan luizen/ en gij weer toevloeit aan het naamloos zand.''

In dat ene gedicht, in die ene strofe, met zijn aderkramp en naamloos zand, is W.J. van der Molen er, zesenvijftig jaar voor zijn dood, in geslaagd zijn eigen lot samen te brengen met dat van zijn zoon.