Altijd zoeken naar de knik

Uitleg vooraf, in de goede richting geduwd worden door de auteur: dat kan prettig voelen. Huub Beurskens schrijft in het `Ten Geleide' van zijn nieuwe essaybundel De school aan zee dat het boek een `hybride' is. Maar de serieuze lezer hoeft niet te vrezen, het is geen `winterboek met voor elk wat wils'. De depreciërende benaming hybride hanteert hij als geuzenterm voor zijn bundeling van verhalend proza, beschouwingen (over schilders en dichters), eigen poëzie en poëzievertalingen, een interview (met een componist) en een lezing.

Niet voor niets is er een hoofdstuk over de renku (het kettingvers) in de Japanse poëzie. Bij deze dichtvorm moet elk nieuw vers aanknopen bij het vorige en er een knik aan geven. De renku kent vaste ingrediënten en de afzonderlijke verzen worden alternerend geschreven door drie of vier dichters die steeds verschillende rollen aannemen. Het is een fraaie metafoor voor Beurskens positie als kunstenaar: in het postmoderne domein van spel en spiegeling, van dubbele bodem, ironie en verwijzing, van metamorfose en mimicri, van schijn en wezen. Kern van dit kettingboek is de hang naar dubbelheid en gelaagdheid. Niets heeft maar één kant, niets hoeft te zijn wat een ander zegt dat het is.

Beurskens werd in de jaren zeventig op de kunstacademie opgeleid in de modernistische traditie, wat zichtbaar is in zijn eerste boeken. Sinds halverwege de jaren tachtig toont hij zich de spreekwoordelijke bekeerling; die zijn het felst. In deze bundel stopt hij veel vuur in zijn pleidooien voor `door het regiem van het modernisme' verketterde figuratieve schilders als Battista Tiepolo, Raoul Dufy en David Hockney. Het leidt tot kleine pamfletten – vaak aanstekelijker vanwege het zelfvertrouwen en enthousiasme dat eruit spreekt dan door hun overtuigingskracht.

Op een fresco van rococoschilder Tiepolo met het Iphigeneia-offer als onderwerp ziet Beurksens in een donkerte in een draperie een betekenisvolle open wond en zelfs, halfironisch, een vagina. Hiermee zou mooischilder Tiepolo de schoonheid van zijn eigen afbeelding ondermijnen. Ook bij David Hockney transponeert Beurskens zijn hyperbewustzijn voor dubbelheid naar de kunstenaar. Zijn op het eerste gezicht gelikte schilderijen van jetsetgebouwen betitelt Beurskens als abstracte composities. Om in één adem te kunnen zeggen dat bij Hockney `een kleurvlak ook gelezen kan worden als de afbeelding van een bungalowmuur'.

Het verlangen naar meerdere gezichtspunten slaat helaas ook neer in de stijl. Bijzin op bijzin stapelend kan Beurskens soms zinnen onnavolgbaar laten uitdijen. In een stuk over toerisme leidt dat tot zinnen als: `Het oog van de toeristencamera is derhalve het partijteken van de wreedheid die gericht is tegen iedereen die en alles wat zich niet kan of wil laten vastleggen, gericht dus ook tegen elk verlangen naar een terugkijken dat je jezelf blozend doet vergeten.' Zo ontstaat bij de lezer vanzelf de neiging terug te duwen tegen de auteur, ten geleide. Het best geslaagd zijn het interview met de eigenzinnige componist Jacob ter Veldhuis en de lezing over Nabokov, waarin betoogd wordt dat de verhalen van Nabokov net zo goed poëzie genoemd kunnen worden. Daar zijn geen genres in gesprek met elkaar, maar een auteur met zijn publiek.

Huub Beurskens: De school aan zee. Vantilt, 224 blz. €18,80