Thorbecke of Fortuyn?

Paars heeft verzuimd de politieke vernieuwing gepaard te laten gaan met bestuurlijke vernieuwing. De onvrede daarover is zichtbaar in het succes van Fortuyn, zegt Jan Drentje.

`Ieder tijdvak heeft zijn eigen beginsel van beweging; laat men dat slapen, dan ontstaat in het volgend tijdvak verwarring van beweging'', aldus Thorbecke in 1841, die in de toenmalige nog sterk oligarchische politieke verhoudingen op constitutionele vernieuwing aandrong. De huidige verwarring, die wel erg gemakkelijk door de professorale poseur Fortuyn in de paarse gelederen kan worden gezaaid, duidt in een thorbeckeaanse interpretatie op gemiste kansen in het recente verleden om de politieke bakens te verzetten. Vervreemdingsverschijnselen tussen kiezers en gekozenen zijn te lang genegeerd en worden nu in een vorm van politiek irrationalisme teruggekaatst. Niet alleen de gevestigde partijen, Fortuyn of de kiezers zijn echter in de war. Ook In 't Veld en Kruiter, die afschaffing van de volksvertegenwoordiging bepleiten (Opiniepagina, 22 maart), zijn het spoor bijster. Een gekozen regentendom met rekenkamers mag virtueel een oplossing lijken, in de praktijk betekent dit een forse afname van het democratische gehalte van de besluitvorming, omdat er geen formeel forum meer is voor een nationale discussie. De uitvoerende macht verschilt essentieel van bedrijfsmanagement, omdat de volksvertegenwoordiging ervoor zorgt dat het bestuur altijd en dus niet alleen bij verkiezingen een publieke aangelegenheid is.

Het succes van Fortuyn bewijst op zichzelf ook niet het failliet van het parlementaire systeem. Het markeert juist de vitaliteit ervan. Onvrede kan zich nog steeds goed op nationaal niveau in het parlement uitdrukken en vrolijke dilettanten in de Kamer brengen. Niet het representatieve systeem zelf staat dan ook ter discussie, maar de manier waarop hieraan vorm wordt gegeven.

Door verschillende auteurs is terecht geconstateerd dat Kok gedurende acht jaar paars zich weliswaar een zuinig beheerder van de staatskas heeft getoond die Drees achterop kwam, maar verzuimd heeft als politiek leider het kabinet een paars profiel te geven. Het is de vraag of dit alleen aan Kok verweten moet worden. Het ontbreken van een herkenbaar ideologisch profiel lag immers juist aan de basis van het geesteskind van Van Mierlo. Decennia geleden al voorspelde Van Mierlo de ontideologisering van de politiek en bepleitte daarom een meer persoonlijke, directe vorm van democratie. De gekozen burgemeester, referenda en het districtenstelsel moesten de politiek dichter bij de burger brengen.

Het historische moment van Van Mierlo brak in 1994 aan, toen de paarse coalitie mogelijk werd. Zijn analyse van de ontideologisering werd bevestigd. Dualisme en politieke vernieuwing moesten de paarse politiek herkenbaar maken. Het merkwaardige van de formatie van 1994 was echter dat Van Mierlo geen minister van Binnenlandse, maar van Buitenlandse Zaken werd. Bij de programonderhandelingen bleek dat de coalitiepartners niets voor daadwerkelijke constitutionele vernieuwing voelden. Paars verloor daarom al bij de start zijn politieke gezicht.

Bolkestein liet het er op zijn beurt bij Paars II bij zitten. Direct na de verkiezingen vertrok hij naar de Europese Commissie. Met de mond had hij het voor de Nederlandse politieke cultuur heilzame dualisme beleden, maar hier in de praktijk weinig van terechtgebracht. Het succes van de VVD onder zijn leiding werd destijds ingeluid door wat rake opmerkingen over het Nederlandse vreemdelingenbeleid en de bureaucratie. Een bewust gecultiveerde onafhankelijke houding leidde er al snel toe dat de boekenschrijvende Bolkestein opinion leader van Nederland werd, die zich er zelf ook over verbaasde hoe eenvoudig het was om met enkele helder geformuleerde opvattingen de toon te zetten.

Bij verschillende gelegenheden had Bolkestein verder te kennen gegeven weinig in het thema van politieke participatie te zien. De passieve kiezer deed in zijn vrije tijd liever iets anders dan politiek bedrijven en zou de politiek graag aan deskundigen overlaten. Daarmee ontkende hij het feit dat de democratie alleen bij een actief staatsburgerschap een morele orde kan blijven.

Bolkestein heeft sneller dan verwacht ongelijk gekregen. In plaats van Kok de schuld van het falende asielbeleid te geven, had hij er daarom beter aan gedaan de hand in eigen boezem te steken en zijn elitaire onderschatting van de kiezer moeten toegeven.

Wie de publieke opinie leidt, moet deze ook in regeerkracht kunnen omzetten. Wie de publieke opinie negeert, legt de basis voor een populistisch alternatief.

Fortuyn heeft namelijk goed opgelet en kopieert in veel opzichten de methode-Bolkestein. Zeg in Nederland iets vervelends over buitenlanders, spreid enig dédain voor sukkelende parlementsleden tentoon, schrijf een boek, kortom: wees een persoon en je staat op forse winst. De politieke leiders van de gevestigde partijen hebben nu de ondankbare taak om tegenover de `daadkracht van Fortuyn' op de onvermijdelijke complexiteit van politieke vraagstukken te wijzen. Hun politiek-morele gezag is aangetast, omdat zij de afgelopen jaren verzuimd hebben op een herkenbare, persoonlijke manier voor hun politieke keuzes verantwoordelijkheid te nemen.

De opmars van Fortuyn bewijst daarom alsnog het gelijk van D66, maar dat wordt door de kiezer niet meer zo gezien. Paars zonder bestuurlijke vernieuwing betekende een vergaande depolitisering, een verstikking van het debat omwille van politiek management. Het beeld is ontstaan van als kartel opererende partij-elites die bij voorkeur onderling de baantjes verdelen.

Terwijl een Europese constituante met Van Mierlo als afgevaardigde over de toekomstige staatkundige structuur van de Europese Unie vergadert, kraakt het politieke systeem in Nederland in zijn voegen en staat de politieke elite met lege handen. `Het grondige gesprek' in Nederland over de politieke structuur waar In 't Veld en Kruiter op aandringen is inderdaad broodnodig. Het verzuim van solide politieke vernieuwing handelsmerk van Thorbecke wordt inmiddels met Fortuyn betaald.

Jan Drentje is historicus.