Moraal en materie

De uitschakeling van het Nederlands elftal voor het komende wereldkampioenschap heeft niet alleen het sportieve niveau van het voetbal ontmaskerd. Het fiasco heeft ook een structurele crisis aan het licht gebracht. Het `gouden decennium' van het betaald voetbal loopt ten einde.

Nog geen tien jaar geleden zou alles in het voetbal volgens de bellenblazers beter worden. Nederland waande zich de kleinste van de grote voetbalnaties. Door de infrastructuur van de stadions en de digitalisering van fans en kaartverkoop zou het vandalisme ingetoomd worden. Dankzij commerciële nevenactiviteiten en televisierechten zouden de budgetten en dus de salarissen blijven groeien. Via beursnoteringen zou de bejubelde jeugdopleiding nog meer talent afleveren dat voor nog meer geld zou kunnen worden doorverkocht.

In 2002 is het beeld drastisch veranderd. Voetbalvandalen kunnen nog steeds een stadion slopen, bleek vorige week vrijdag bij een wedstrijd tussen nota bene Ajax-2 en Utrecht. In Haarlem willen ze nu maar paspoorten bij de poort controleren, Wat mogelijk is bij duizend betalende bezoekers maar ondenkbaar in De Kuip. De politie beraadt zich op de vraag of ze nog wel zoveel manschappen moet inzetten voor een hopeloze taak. De merchandising is in Nederland evenmin volwassen geworden en lijkt vooral bedoeld de supporter geld uit de zak te kloppen voor een net iets ander petje of shirtje. De televisie ziet dat de kijker verzadigd is en bezuinigt op de uitzendrechten die fantastische hoogten hadden bereikt. Ook de beurs heeft geen soelaas geboden. En intussen neust de FIOD in de boekhouding van de clubs – volgende week moet Sparta, toch al in een terminale fase, zich verantwoorden – omdat de fiscus strafrechtelijke feiten vermoedt. Het gevolg? Het voetbal lijdt verlies. Vorig seizoen was het tekort 26 miljoen euro. Een aantal kleine clubs staat voor faillissement, de grote moeten saneren om een vergelijkbare afgang te voorkomen.

Er is troost. Niet alleen Nederland maakt een moeilijke periode door. Heel Europa verkeert in een vergelijkbare toestand. In Frankrijk is vorig seizoen bijna 300 miljoen euro verlies geleden. In Duitsland bezwijkt het imperium van tv-tycoon Kirch onder de schulden door te duur aangekochte sportrechten. In Engeland staat een tv-zender die wedstrijden uitzond waar niemand naar keek, op de rand van de afgrond. In Italië dreigt bankroet voor een ooit trotse club en weten nog meer clubs dat het spel snel uit kan zijn. In Spanje heeft Real Madrid alleen het hoofd boven water gehouden door een dubieuze onroerend goedtransactie met de gemeente Madrid.

Een harde herstructurering staat derhalve op stapel. Het verdwijnen van clubs, zeker in Nederland waar 36 teams betaald voetbal spelen, is onvermijdelijk. De salarissen voor de spelers, die sinds het befaamde Bosman-arrest uit 1995 het loon van een cardioloog te boven gingen ook al raakten ze geen bal, zullen dalen omdat een salarisplafond naar het voorbeeld van het Amerikaans basketbal onvoldoende ruimte biedt en bovendien ontdoken zal worden.

De overheden moeten zich zo min mogelijk met deze sanering bemoeien. In de jaren negentig hebben de clubs in Nederland 400 miljoen gulden subsidie ontvangen. Die tijd van bijpassen is voorbij. Als de Europese Commissie ook nog eens serieus zou toezien op de voortdurende sluiksteun elders in Europa, kan de voetbalcompetitie niet alleen goedkoper, maar ook sportiever worden.