Mooie beelden zonder coherent verhaal

Met De tijd van Degas probeert het Gemeentemuseum Den Haag een beeld te schetsen van Parijs in de tweede helft van de negentiende eeuw. Spil van de expositie vormt een aantal topwerken uit de historieschilderkunst en het impressionisme, die het Musée d'Orsay in bruikleen gaf.

Van Edgar Degas (1834-1917) zijn veertien schilderijen te zien, plus foto's en beelden. Degas is een complex personage in de kunstgeschiedenis: hij was enerzijds een voorvechter van het nieuwe en stond aan de basis van de eerste grote tentoonstelling van impressionisten in 1874, anderzijds bleef hij houden van het strakke neo-classicisme van Ingres en de zwierige romantiek van Eugène Delacroix. Behalve schilder was hij ook fotograaf en beeldhouwer en hij bezat een uitgebreide kunstcollectie.

Degas zelf is dus al een ingewikkeld onderwerp voor een tentoonstelling, maar het Gemeentemuseum wil méér: het wil het verhaal vertellen van de kunstenaar Degas, de verzamelaar Degas, de negentiende-eeuwer Degas én de late negentiende eeuw. In de voor de gelegenheid paars en blauw gesausde museumzalen wordt wild van het ene naar het volgende thema gehopst. Mede door de summiere toelichting heeft het weinig zin te proberen uit alle weelde aan de muren, want dat is het, een coherent tijdsbeeld te destilleren, maar het is de vraag of dat erg is: wie de kans krijgt oog in oog te staan met Degas' sobere Familie Bellelli (1858-1867), De schommel van Auguste Renoir (1876) of het bizarre Portret van Madame M. van Henri Rousseau (1895-1897) maakt zich er niet druk om dat die drie doeken van andere planeten zouden kunnen komen. Adembenemend mooi opgesteld en uitgelicht zijn zes postuum in brons gegoten beeldjes van Degas van een danseres die, als in een filmpje, haar armen en benen telkens een stukje beweegt. Ernaast hangt zijn jaren eerder geschilderde Balletrepetitie op het toneel (1874), vol rekkende en geeuwende meisjes op een grijzig podium. Degas hield van de gewone kant van de danswereld, waar gezweet en gekletst werd en waar perfectie nog vorm moest krijgen.

In de bijzaaltjes begint zich het gebrek aan thematische afbakening te wreken. Daar moet Parijs rond 1900 tot leven komen met de clowneske spotprenten van Honoré Daumier, die zijn vette bankiers en straatarme kunstenaars steevast van een puntneus voorzag, de affiches van Toulouse Lautrec vol liederlijke armoede, en L'âge d'arain (1876), zo'n manshoge massa van vlees, spieren en zinnelijkheid van meester-beeldhouwer Auguste Rodin. Dit alles zorgt voor een heleboel associaties, maar niet voor een `tijdsbeeld'.

De foto's leveren hilarische momenten op. Henri Lemoine wilde snelle snapshots schieten in een tijd dat dat technisch nog onmogelijk was. Promenade in het Bois de Boulogne toont twee pronte achterwerken, dat van een paard en dat van zijn berijdster, en op Paardenrennen zien we parkeerplaatsen vol koetsen, van de camera afgekeerde dames met hoeden en parasols en veel lege klapstoeltjes onder blikkerend zonlicht. Aankomst van de paarden is een klassieke mislukking: nog meer ruggen, een eindeloze zandvlakte en helemaal achterin twee passerende ruitertjes.

Degas zelf gebruikte het nieuwe medium vanaf 1895 voor het maken van geladen, volstrekt onnatuurlijke portretten. Op Zelfportret met standbeeld van Bartholomé (1895) lijkt hij wel een dode, zo bleek steekt hij, liggend op een donkere leren sofa, af tegen een pikzwarte kamer. Op Zelfportret in gezelschap van Christine en Yvonne Lerolle (1895-1896) zit hij zelf weer voor lijk in de hoek, terwijl Christine bevallig voorover hangt en Yvonne stijf rechtop in een stoel opzij kijkt. Het is net een klein toneelstuk, compleet met een gordijn als achterwand.

In de catalogus wordt getracht het ontbreken van een historische eenheid goed te maken met een keurig chronologisch opstel van John Sillevis, maar dat lijdt aan hetzelfde inhoudelijke teveel als de tentoonstelling. Dan zijn de frisse teksten van Esther Darley een stuk beter. Zij licht elk werk afzonderlijk kort toe, met nu eens een verwijzing naar andere genres of schilders, dan weer een historische anekdote. We lezen over ruzies en gekat tussen kunstenaars in brieven en cafés, over kleurgebruik en modellen. Af en toe moet Darley moeite doen om Degas nog haar tekst binnen te smokkelen. Haar uitgangspunt is enkel het doek wat ze voor zich heeft. Het is zonde dat een bruikleen om trots op te zijn, zo krampachtig moest worden verpakt.

Tentoonstelling: De tijd van Degas, t/m 14-7 in: Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Open di-zo 11-17u. Toegang E9,30. Catalogus E27,90/E17,90 (paperback). Inl: 070-3381111 of info.gemeentemuseum.nl.