Leraar zoekt steeds vaker ander werk

Een steeds grotere groep leraren verlaat het onderwijs om ergens anders te gaan werken. In 1996 verlieten 8.000 leraren de school, in 2000 nam dat aantal toe tot 12.000.

De uitstroom blijkt uit cijfers van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). De Algemene Onderwijsbond (Aob) heeft op basis van die cijfers in het Onderwijsblad de belangrijkste vertrekredenen van leraren in kaart gebracht.

In totaal zijn er 376.300 leraren die lesgeven op basisscholen, middelbare scholen en het beroepsonderwijs. In 2000 stopten ruim 34.000 leraren met lesgeven, dat is bijna 10 procent van alle leraren. Een groot aantal gaat met pensioen, wachtgeld of raakt in de WAO. Ruim 7.700 leraren krijgen een andere functie binnen het onderwijs. Ongeveer 2.800 stappen over naar een andere baan bij de overheid. Een klein aantal, 545 leraren, overlijdt terwijl ze nog in functie zijn.

Wat overblijft, is een grote groep van 12.000 mensen onder de post `uit het onderwijs vertrokken, bestemming onbekend'. De uitstroom is het grootst onder leraren in het middelbaar onderwijs. Uit de ABP-gegevens blijkt dat de `afhakers' vooral mensen zijn die overstappen naar het bedrijfsleven en leraren die helemaal stoppen met werken, meestal zijn dat vrouwen met jonge kinderen. Overigens groeit deze laatste categorie niet. Het aantal vrouwen dat stopt met werken lijkt iets af te nemen.

De onderwijsbonden Aob en CNV merken al enige jaren dat steeds meer mensen hun lidmaatschap opzeggen omdat ze ander werk gaan doen. Volgens de bonden maakt de grote uitstroom het nog moeilijker het lerarentekort terug te dringen. ,,Het begint nu wel heel zorgelijk te worden'', aldus een woordvoerder van de Aob.

Het ABP registreert niet waarom de leraren ander werk zoeken. Volgens Robert Sikkes van de onderwijsbond blijkt uit onderzoek dat er twee belangrijke vertrekredenen zijn. De zwaarte van het werk, met name op zwarte scholen, zou leraren afschrikken, waardoor ze de voorkeur geven aan een andere, `rustigere' baan.

Daarnaast is de begeleiding van jonge, beginnende leraren slecht, volgens de onderwijsbond. Jonge leraren haken om die reden voortijdig af. Uit de nota `Werken in het onderwijs' van het ministerie van Onderwijs blijkt dat 10 procent van de startende leraren in het basisonderwijs er na een jaar weer mee ophoudt. Na vijf jaar heeft 75 procent van de `nieuwe leraren' de school alweer verlaten. De Aob stelt voor jonge leraren rustiger te laten beginnen door ze 20 procent minder taken te geven dan ervaren collega's. Het ministerie ziet vooralsnog geen mogelijkheden om iets te doen aan de groeiende groep afhakers. Volgens een woordvoerder moeten daarover ,,in het regeerakkoord nieuwe afspraken worden gemaakt''.