Een onhoudbare positie

Deze zomer is het veertig jaar geleden dat Nederland afstand deed van het laatste deel van Nederlands Oost-Indië waarover het nog de soevereiniteit voerde: westelijk Nieuw-Guinea. Het grootste deel van de `gordel van smaragd' was al dertien jaar eerder, onder de naam Indonesië, onafhankelijk geworden.

Veertig jaar later is het moeilijk zich voor te stellen dat het toen over dat stuk Nieuw-Guinea bijna tot een oorlog tussen Nederland en Indonesië is gekomen. Dat laatste land maakte er namelijk aanspraak op, en Nederland weigerde die eis in te willigen, op grond van het feit dat de bevolking, Papoea's, etnisch niet tot Indonesië behoorde en zelf over haar eigen lot moest beschikken (er waren ook andere, minder beklemtoonde, motieven).

Ook historici hebben blijkbaar moeite zich in die periode in te leven. In het programma Andere tijden, dat elke dinsdag op Nederland 3 wordt uitgezonden, werd op 19 maart beweerd dat niemand toen begreep waarom Nederland zich aan dit laatste stukje koloniaal bezit vastklampte. Ook werd de indruk gevestigd dat dit alleen maar een gril was van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Luns.

Welnu, wat dat laatste betreft: Luns was weliswaar de belangrijkste voorvechter van het behoud van Nieuw-Guinea, maar hij stond niet alleen: tot in 1962 had hij, wat dat betreft, een parlementaire meerderheid achter zich. In het kabinet steunden de ministers Klompé (Katholieke Volkspartij), Korthals en Toxopeus (VVD) hem tot de laatste snik. Staatsrechtelijk was er dus niets mis. En tot eind 1958, toen het laatste kabinet-Drees viel (om andere redenen), had de PvdA medeverantwoordelijkheid voor het Nieuw-Guinea-beleid gedragen.

Wat de bewering aangaat dat niemand begreep waarom Nederland vasthield aan dat stukje grondgebied aan de andere kant van de wereld: Luns' populariteit bij het publiek, die al groot was, was nooit zo hoog als toen Nederland in 1962 – vooral onder Amerikaanse druk – gedwongen werd Nieuw-Guinea los te laten. Ik heb dat wel eens verklaard uit het klein-maar-dappersyndroom: de Nederlanders weten dat zij in een conflict met grotere mogendheden ten slotte het onderspit moeten delven, maar juichen de staatsman toe die zich niettemin tegen hen verzet.

Trouwens, als het waar was dat Luns in een soort politiek luchtledig opereerde, dan zou zijn partij (de KVP) hem niet nog negen jaar tot 1971 als haar minister van Buitenlandse Zaken naar voren hebben geschoven. Zo zachtzinnig behandelde zij haar eigen mensen niet, maar Luns was nu eenmaal goed voor enkele Kamerzetels. Dat kunnen tegenwoordige historici, zoals de redacteuren van Andere tijden, misschien gek vinden, maar zo was het wél. (Nota bene: ik schrijf dit allemaal als iemand die in die jaren het standpunt verdedigde dat Nieuw-Guinea onhoudbaar was.)

Maar als die uitzending van Andere tijden over Nieuw-Guinea de aandacht heeft getrokken, dan was het niet om deze betwistbare weergave van de sfeer rond 1960. Het was om de onthulling die zij deed, dat prins Bernhard in april/mei 1961 op eigen houtje dus staatsrechtelijk niet zo correct een plan aan president Kennedy had voorgelegd dat voorzag in de overdracht van Nieuw-Guinea aan een internationaal bestuur, waarna de bevolking zich per referendum over haar toekomst zou kunnen uitspreken. Redacteuren van het programma hadden dit in de archieven van het State Department ontdekt.

Dit moet inderdaad als een onthulling worden aangemerkt, want dr. P.B.R. de Geus, die in 1984 promoveerde op het proefschrift De Nieuw-Guineakwestie: aspecten van buitenlands beleid en militaire macht, vertelde mij desgevraagd dat hij hieromtrent niets in de archieven van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, die voor hem ontsloten waren geweest, had gevonden.

Sterker nog: twee oud-diplomaten die zich in die tijd op de Nederlandse ambassade te Washington intensief met het Nieuw-Guineadossier hadden beziggehouden, konden zich, eveneens desgevraagd, niets van dit voorval herinneren dan wel hierover niets in hun aantekeningen terugvinden en dat terwijl hun eigen ambassadeur, dr. J.H. van Roijen, prins Bernhard op 25 april 1961 op zijn bezoek bij Kennedy had vergezeld.

Daaruit moet worden geconcludeerd dat het `plan-Bernhard' zo geheim was dat zelfs de ambassadeur daarover niet aan zijn superieur (minister Luns) of aan zijn naaste medewerkers heeft gerapporteerd. Het is waar dat Van Roijen een jaar later een actieve rol heeft gespeeld (deels buiten zijn minister om) in de eindoplossing van het probleem, die neerkwam op een overdracht van Nieuw-Guinea aan een internationaal bestuur dat na niet langer dan twee jaar vervangen zou worden door Indonesiërs, die vervolgens de bevolking de gelegenheid zouden geven hun vrijheid van keuze uit te oefenen.

Dat lijkt inderdaad nogal op het `plan-Bernhard' van een jaar tevoren, maar of dat enige rol in die besluitvorming heeft gespeeld, is vooralsnog onbekend. Ook is onbekend door wie Bernhard zich in deze geheime zaak heeft laten adviseren. De gedachten gaan dan uit naar de zogenaamde groep-Rijkens, een groep uit het bedrijfsleven onder leiding van de gewezen voorzitter van de raad van bestuur van Unilever Paul Rijkens, die ageerde tegen het Nieuw-Guineabeleid van de regering.

Mij gaf de onthulling van dat `plan-Bernhard' een déjà vu-gevoel. Op 23 augustus 1961 bepleitte de Nieuwe Rotterdamse Courant, waaraan ik toen verbonden was, in een hoofdartikel dat Nederland een referendum in Nieuw-Guinea zou organiseren, maar tegelijkertijd de bevolking duidelijk zou maken dat, als zij tegen aansluiting bij Indonesië zou opteren, Nederland niet in staat zou zijn haar veiligheid te waarborgen.

Het recht op zelfbeschikking zou dan, formeel althans, geëerbiedigd zijn, en Nederland zou uit een onhoudbare positie verlost zijn. Ook dit voorstel, dat niet fraai maar wèl pragmatisch was, lijkt op het `plan-Bernhard', waarvan de anonieme schrijver, evenals bijna iedereen, onkundig was. Overigens is het merkwaardig dat Andere tijden het morele argument van zelfbeschikking dat de regering hanteerde, nauwelijks enige aandacht waard achtte.