De kleur van haat

,,Geel'', zei mijn vader altijd, ,,is de kleur van de haat.'' Als dat waar is, is het voorjaar het seizoen van de haat. De dominerende voorjaarskleur is immers geel. Reeds de twee Johannes de Dopergewassen die het voorjaar aankondigen, winterjasmijn en winterakoniet, bloeien met eigele bloemen. De eerste echte voorjaarsbloeier is op de klei steevast het speenkruid. M'n hele boomgaard is bedekt met een geel tapijt. Overal blinken de gele sterretjes van de alomtegenwoordige Ranunculus ficaria. Op de wat zanderiger hoekjes bloeit al even uitbundig het klein hoefblad met z'n diepgele bloemkronen. Bij m'n oosterburen staan de forsythia-struiken knalgeel te bloeien. Op de bloembollenakkers van m'n westerburen staan zover het oog reikt heldergele narcissen te wiegen in de voorjaarsbries. En in de slootkanten ontluikt de dotterbloem met z'n fraaie dooiergele kroonbladen.

Met zo'n weids uitzicht op een geel gekleurde wereld, sla je dan vol verbazing de gedichten van Emily Dickinson op. Rond 1865 schreef ze een gedichtje dat als nummer 1045 in The Complete Poems werd gerubriceerd. Het versje luidt:

Nature rarer uses Yellow

Than another Hue

Saves she all of that for Sunsets

Prodigal of Blue

Spending Scarlet like a Woman

Yellow she affords

Only scantly and selectly

Like a Lover's Words.

Dit gedichtje verbaast mij al ruim dertig jaar. Nature rarer uses Yellow than another Hue? Zou daar in Amherst, waar Dickinson haar hele leven heeft gewoond, de dominerende voorjaarskleur niet geel zijn? Als ik niet zo opzag tegen zo'n vliegreis, de oceaan over, zou ik daar graag eens gaan kijken in 't vroege voorjaar. Trouwens, ook later in het jaar zijn er zoveel geelbloeiers – penningkruid, theunisbloem, verfbrem, paardebloem, gaspeldoorn om maar wat te noemen – dat ik niets van dat gedichtje begrijp, tenzij in Amerika juist al die geelbloeiers ontbreken. En citroenvlinders en wielewalen en geelgorzen en ortolanen en gele kwikstaarten.

Misschien was Emily Dickinson kleurenblind. En dan leed ze aan de zelden voorkomende geelblauwkleurenblindheid. Een aanwijzing levert de laatste regel van het eerste kwatrijn: prodigal of blue. Al wat wij geel zien, zag zij blauw. Voorzover er Ranunculaceae bloeiden in Amherst, zo'n 150 jaar geleden, bloeiden ze voor haar met helderblauwe bloemetjes. Het zou de geheimzinnige inhoud van dit gedichtje verklaren.

Schopenhauer zou waarschijnlijk met een andere verklaring komen voor 't schaarse geel van Dickinson. Keer op keer komt hij in Die Welt als Wille und Vorstellung over kleuren te spreken. Vaak verwijst hij dan naar zijn oerdomme boekje Ueber das Sehen und die Farben. Kleur is volgens Schopenhauer een subjectief verschijnsel. Het is niet meer dan een voorstelling die wij ons van de wereld maken. Dat Dickinson geen geel zag – niks bijzonders, in haar subjectieve voorstelling van de wereld ontbrak die kleur.

Het is vermakelijk te zien hoe Schopenhauer door z'n hele boek heen de plank misslaat als hij over kleuren te spreken komt. Wellicht de mooiste passage is te vinden op pagina 215 van de Nederlandse vertaling. Daar heeft hij het over `lieden die vijftig jaar na het verschijnen van Goethes kleurenleer nog geloof schenken aan Newtons theorie van het homogene licht, en er nog voor uitkomen ook.' En dan heft hij de waarschuwende vinger en zegt: ,,Zij zullen ondervinden dat wat men van het kind door de vingers ziet, de man niet zal vergeven.''

Het eigenaardige is dat de bewonderaars van Schopenhauer hem maar al te graag vergeven dat hij op 't terrein van de kleurenleer falikant mistastte, terwijl toch reeds deze fatale vergissing al z'n filosofische vooronderstellingen finaal omver werpt.