Commerciële klinieken

Hoogleraar Wynand van de Ven maakt zich in NRC Handelsblad van 28 maart onder andere zorgen over het pleidooi van de Raad voor de Volksgezondheid ,,commerciële klinieken toe te laten in de reguliere zorg''. In het artikel stelt hij dat thans in Nederland geen commerciële ziekenhuizen mogen worden geëxploiteerd en dat de ziekenfondsen de zorg verleend door commerciële klinieken, niet mogen vergoeden. Indien deze hoogleraar eerst de moeite zou hebben genomen de regelgeving te bestuderen inzake privé-klinieken en Zelfstandige Behandelcentra (ZBC's), dan had hij de lezers van zijn artikel niet verkeerd hoeven voorlichten.

In februari 1998 kregen de toen bestaande `privé-klinieken' van het ministerie van VWS een jaar de gelegenheid een vergunning aan te vragen in het kader van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen (WZV). In februari 1999 werd aan 43 dagklinieken een vergunning verleend; de overige ca. 60 vergunningaanvragen bleken niet nodig, omdat deze klinieken 1. `monodisciplinair' waren en 2. zich uitsluitend bezighielden met zorg in het derde compartiment, die doorgaans niet of slechts gedeeltelijk vergoed wordt door de zorgverzekeraars (de `luxe of cosmetische zorg'). Daarmee deelde het ministerie VWS de commerciële klinieken in twee categorieën in en werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ZBC's en privé-klinieken. Wellicht noemt Van de Ven in zijn artikel alleen de categorie privé-klinieken `commerciële' klinieken? Maar ook deze klinieken mogen in Nederland geëxploiteerd worden, in tegenstelling tot wat hij in zijn artikel beweert.