Zoeken

De bijeenkomst was ergens in een buitenwijk van Den Haag. In de hal van het Centraal Station zocht ik tevergeefs naar de informatiedesk voor het openbaar vervoer. Ik bleek helemaal buitenom te moeten, naar het gebouw van de VVV, om te weten te komen welke tramlijn ik moest nemen. Geen goed begin.

De tram bracht me een eind in de goede richting, nam ik aan, maar op zeker moment moest ik eruit en op eigen benen verder. Ik stond op een brede weg waar het verkeer doorheen raasde. Terra incognita. Buiten het centrum ken ik Den Haag slecht.

De verwarring sloeg meteen toe, want de weg bleek aan de overzijde anders te heten dan aan mijn kant, en bovendien stond er op het bordje langs de tramhalte weer een andere straatnaam. De huisnummers naderden het cijfer duizend, maar volgens mijn briefje moest ik op honderd-en-zoveel zijn. Deze straat zou zich vlakbij de plaats van de bijeenkomst moeten bevinden, maar klopte dat wel?

De uitgever Geert van Oorschot heeft eens gezegd dat je nooit de weg moet vragen, omdat de meeste mensen hun eigen buurt of stad slecht kennen. Dat is juist, te beginnen met mij. Als ik de goede richting al weet, ben ik de straatnamen vergeten. Omdat je je schaamt voor je eigen onwetendheid en omdat je de vertwijfelde zoeker niet wilt teleurstellen, doe je alsof je volstrekt zeker van je zaak bent en stuurt hem de verkeerde kant op. Er moeten zo langzamerhand hele legers, vooral Franse toeristen ook mijn Frans veroorzaakt misverstanden – al maanden ontheemd door Amsterdam dwalen, omdat ze zo onverstandig zijn geweest mij de weg te vragen.

Maar hier stond ik, en ik kon niet anders. Ik vroeg enkele mensen de weg, en voorzover zij me te woord wilden staan die bereidwilligheid neemt op straat zienderogen af wezen zij me tegengestelde richtingen in.

Toch stond ik na een poosje voor een groot gebouw waar de bijeenkomst moest zijn. Achter de ramen heerste duisternis en roerloosheid. Tegen een zijgevel stonden op een hoog plateau enkele bouwvakkers te werken. Nee, riepen ze, dit gebouw was gesloten. Het moest een misverstand zijn, dachten ze, en ze verwezen me naar een identiek gebouw, `ongeveer een kwartiertje lopen verderop'.

Ik dwaalde door steeds grimmiger straten. Ik noem geen namen,want ik wil niemand kwetsen, maar ik moest denken aan de straat Huissens uit het gelijknamige verhaal van Bordewijk. ,,Maar Huissens had de naarste ouderdom, de ouderdom van wat nooit jong is geweest, een ziek armoekind, dat er uitziet als een afgeleefde.''

Eindelijk was ik er: een grijze steenklomp. Ik wankelde de doodstille hal binnen en meldde me bij een suffende portier. Ja, dit was het goede gebouw, maar die bijeenkomst, ach wat vervelend nou, het moest alweer een misverstand zijn, die bijeenkomst was gisteren geweest. Ik moet er ontroostbaar hebben uitgezien. Volgend jaar is er weer een, wuifde hij me uit.

Sneu? Ach, je leert relativeren. Op de terugweg, vlakbij het Binnenhof, liepen me twee piekfijn geklede mannen type topambtenaar – tegemoet. ,,Ik moet de fraude gaan doen'', zei de een tegen de ander.