Waterspreeuw en Moezelwijn

Een eindje voorbij de grens lonken vele mooie wandelgebieden. Bijvoorbeeld in Luxemburg; vroeger een vakantiebestemming voor de `smalle beurs', tegenwoordig vaak voorkomend op jaarlijstjes met kortere en langere uitstapjes.

Binnen een dag reis ik van Groningen naar Mertert, een dorpje bij de samenvloeiing van Moezel en Syr. Op een doodstil stationnetje stap ik uit. Lopend langs een kerk met tweelingtorens bereik ik de Havenstraat – een verwijzing naar de Moezelhaven die het dorp rijk is. Aan de Duitse overkant rijst een wand van rode zandsteen op, voorzien van geheimzinnige zwarte holen. Op straat hoor je de mensen elkaar groeten, iets als `moojin'. Het woord neigt meer naar het Duits dan naar het Frans, net als het Letzeburgisch zelf. Dat geldt ook voor de geschreven vorm; op het prikbord bij het gemeentehuis zie ik bijvoorbeeld een mededeling van de `Chrëschtlech Sozial Fraen'.

Na een korte verkenning word ik klemgereden door een politiewagen. `Halt! Stehen bleiben!' Drie agenten komen op mij af. Wat ik aan het doen ben? Waar ik vandaan kom? Paspoort! Ik grijp in mijn binnenzak en verzeker de agenten dat ik geen kippendief ben. Even later tikken ze beleefd aan de pet. Vervelend, maar ze hadden een melding binnengekregen over een verdacht persoon.

`Maar er komen hier toch wel vaker toeristen?'

`Dat wel, maar het seizoen is nog niet begonnen, ziet u.'

Mijn notitieboekje zal wel de boosdoener zijn. In Mertert denken ze dat een inbreker eerst rustig met een schetsblok door het dorp gaat voor hij een woning binnendringt.

Ik zoek mijn logeeradres op, een boerderij met kamers die uitzicht bieden op de binnenplaats. De boerin brengt mij een schaal met kaas en gerookte ham en een fles Riesling. Zo kan het ook, burgers van Mertert!

De volgende morgen volg ik eerst de Syr die door een betonnen bedding in de Moezel uitmondt. Kijk, daar zijn ze weer, die vreemde groene kluwens, hangend aan de takken van populieren en appelbomen. Bij ons voelt de legendarische maretak of vogellijm zich alleen in Zuid-Limburg thuis. De bollen bestaan uit een wirwar van gevorkte stengels en leerachtige, groene blaadjes. Dankzij de vogels, die in het najaar de kleverige, witte bessen opeten, kan deze parasiet zich steeds verder uitbreiden.

In een hoog opgaand loofbos van zingende vogels en gefilterd licht verandert de weg in een steil, rotsig paadje.

Plotseling ben ik `im Walde!' Wat roepen die twee woorden niet allemaal voor gevoelens op in een Germaanse ziel! Voor de Germanen was het woud een plek van harmonie en zuiverheid, waar alle overbodige ijdelheid en oppervlakte, die de `beschaving' aankleven, verdampen.

Een koel, vochtig ravijnbos is gevuld met het geluid van hamerende spechten. Ik daal af naar een stuw en een aquaduct. Bij het water trekt iets snels en bewegelijks mijn aandacht. Ik haast mij naar de oever en jawel, het vogeltje met de witte borst dat daar kwiek op de stenen heen en weer springt, kan niets anders dan de waterspreeuw zijn. Een vogel die voor mij behoort tot de categorie snor, roze spreeuw, kwak, baardmannetje en bijeneter, dat wil zeggen tot de nooit geziene vogels. De waterspreeuw kent u natuurlijk uit `Een vlucht regenwulpen' van Maarten 't Hart. Daar vliegt hij als een `groot, grommend insekt' boven het water en loopt hij met zijn staartje boven het water uit over de rivierbodem, een `toonbeeld van volstrekt vanzelfsprekende en gelukkige eenzaamheid'.

De bus van Mertert naar Grevenmachter doet er maar vier minuten over. Maar wat een verschil in landschap! Hier is alles wijngaard wat de klok slaat, of beter wijnterras, of nog beter `Weinberg', zoals de Luxemburgers (en Duitsers) zeggen. Grevenmacher is een voormalig vestingstadje, met op elkaar gepropte rood-gele huisjes die door steegjes met elkaar zijn verbonden. In bijna elk tuintje rust een stenen kabouter onder een sering. Het plaatsje is vooral een wijncentrum, met kelders en winkels waarin de Riesling en andere witte wijnen liggen opgeslagen.

Buiten de stadspoorten dalen de wijnstokken in gesloten rijen af naar de rivier. Tussen de terrassen zijn een paar lusvormige wandelingen uitgezet. In de oude muurtjes, die met rode en groene vetplanten zijn overdekt, raakt soms een steen los. Vandaar de waarschuwing op lager gelegen wegen: `Vallende stenen!'

Aan de buitenranden voegen bulldozers nieuwe percelen aan de wijnberg toe. Ook op plekken waar de zon al om drie 's middags is verdwenen. Vermoedelijk levert zelfs een heel zuur wijntje nog flink wat duiten op.

Tegen de avond keer ik terug naar Mertert. Hopelijk word ik daar niet wegens landloperij in de kraag gegrepen.