Verdachte Nikolic kreeg assistentie Dutchbat

Momir Nikolic, de Bosnische Serviër die maandag door SFOR-troepen is ingerekend op verdenking van genocide in Srebrenica, kreeg in juli 1995 actieve hulp van Dutchbat.

In de achttien pagina's tellende aanklacht tegen Momir Nikolic, een kille opsomming van zijn bevelvoering bij executies van gevangen moslimmannen na de val van Srebrenica, blijft de assistentie van het Nederlandse VN-contingent onvermeld. Ooggetuigen van Artsen zonder Grenzen en de VN hebben echter al in 1995 verklaard dat Nikolic door Dutchbat-officieren is rondgeleid op het VN-kampement in Potocari, en dat Dutchbat zeven gewonde, door Nikolic aangewezen moslimmannen in een VN-vrachtwagen ,,voor verhoor'' heeft overgebracht naar de Bosnische Serviërs in het nabijgelegen Bratunac.

Het is niet duidelijk of ook deze zeven gewonden zijn vermoord. Wel stelt de aanklacht dat Nikolic daags na de val van de enclave, op 12 juli, al betrokken was bij ,,de onthoofding van tachtig tot honderd moslimmannen'' bij de plaatselijke Zink-fabriek. De nu 47-jarige Nikolic wordt omschreven als een stipte, door haat gedreven uitvoerder van legerorders, die de ,,misdadige intentie en de geestestoestand'' bezat om de hem ten laste gelegde oorlogsmisdaden bewust te begaan.

Dutchbat had regelmatig met Nikolic van doen. De besnorde, altijd streng kijkende kapitein was inlichtingenofficier van de Infanteriebrigade van Bratunac, het Bosnisch-Servische stadje aan de toegangsweg tot de enclave Srebrenica. Op 17 juli, enkele dagen na de deportatie van de vluchtelingen die hun toevlucht bij de Nederlandse VN-soldaten hadden gezocht, eiste hij toegang tot de ziekenboeg van Dutchbat. Daar verbleven op dat moment nog een zestig moslimmannen en -vrouwen die te ziek of te zwak waren voor het eerdere transport.

Kapitein Nikolic vroeg en kreeg een namenlijst van alle gewonden. Volgens VN-waarnemer André de Haan was hij op zoek naar oorlogsmisdadigers aan moslimzijde die hij aan een verhoor wilde onderwerpen. Een medewerker van Artsen zonder Grenzen heeft de namen, leeftijden en geboorteplaatsen van de gewonde moslims genoteerd, in de veronderstelling dat deze gegevens voor het Rode Kruis bestemd waren.

Tijdens zijn inspectie was Nikolic de hoffelijkheid zelve. Hij deelde sigaretten uit en knoopte gesprekken aan. Verpleegster Christina Schmitz van Artsen zonder Grenzen destijds: ,,Nikolic vroeg hun namen en koos er zeven uit. `Deze willen we, en deze, en deze', zei hij. De paniek was enorm. De bangste patiënten hadden van ons tranquillizers gekregen.'' Tot haar verbazing bood majoor Franken, de plaatsvervangend commandant van Dutchbat, hulp aan bij het vervoer. De geselecteerde gewonden werden diezelfde dag nog door Nederlandse blauwhelmen op brancards in de laadbak van een viertonner geschoven en achtergelaten in het ziekenhuis van Bratunac – in handen van de Bosnische Serviërs.

Deze actieve participatie van Dutchbat bij de etnische zuivering van de tot `Veilig Gebied' uitgeroepen enclave staat in verschillende Nederlandse overheidsrapporten omschreven als een misverstand: majoor Franken zou – ten onrechte – de aanwezigheid van het Internationale Rode Kruis in het ziekenhuis van Bratunac hebben verondersteld. Tegen de achtergrond van de aanklacht tegen Nikolic, die tussen juli en november 1995 met weinig anders bezig zou zijn geweest dan de uitroeiing van duizenden moslimmannen, steekt deze misvatting extra schril af.

Zijn arrestatie kwam totaal onverwacht. Carla Del Ponte, hoofdaanklaagster van het tribunaal, heeft haar aanklacht tegen Nikolic pas kort voor het paasweekend getekend, op 26 maart. Bij zijn aanhouding – naar verluidt door een SFOR-eenheid van achttien gemaskerde mannen – zou hij te verbouwereerd zijn geweest om weerstand te bieden: toen er maandag bij hem thuis werd aangebeld deed hij zelf open.

Moslims zowel als Bosnische Serviërs uit de omgeving van Srebrenica zijn in de jaren voor het uiteenvallen van Joegoslavië door Nikolic onderwezen in de partizanenstrijd onder Tito. Als dorpsonderwijzer bracht hij beide groepen de beginselen van de landsverdediging bij, met de geweren uit het `wapenkabinet' dat op iedere school aanwezig was. Tijdens de Bosnische oorlog werd hij door vriend en vijand gevreesd wegens zijn meedogenloze discipline en tucht. Hij deinsde er niet voor terug om ook Serviërs te intimideren die samenwerkten met Westerse journalisten. Hij dreigde deze ,,verraders'' eigenhandig af te ranselen.