Rechter: rol overheid was `onbegrijpelijk'

De rechtbank in Almelo wees gisteren vonnis in de zaak tegen de directeuren van vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks. Maar hij wees tegelijk met een beschuldigende vinger naar andere betrokkenen. Hieronder enkele citaten.

,,Eigenlijk niemand in Nederland - ook niet de instanties die belast waren met vergunningverlening en de advisering daarbij - had enig benul van de gevarenklasse waarin grote hoeveelheden opgeslagen vuurwerk ingedeeld behoort te worden.''

,,Het voert te ver om van verdachte te verlangen dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij vuurwerk binnen kreeg en in zijn bedrijf opgeslagen had, dat zwaarder was dan in de vergunningen was toegestaan, laat staan dat hij dat wist.''

,,Zowel de gemeente Enschede en haar met de vergunningverlening belaste en controlerende ambtenaren, als de betrokken ambtenaren van het bureau Milan van het ministerie van Defensie hebben hun taken in deze op een volstrekt onbegrijpelijke wijze uitgevoerd.''

,,De gemeente heeft verkeerde prioriteiten gelegd door haar beperkte beschikbare menskracht veel te veel in te zetten op nieuwe prestige objecten in plaats van de nodige aandacht te schenken aan de handhaving en controle van bestaande zaken.''

,,Vergunningsvoorschriften zijn onduidelijk geformuleerd. Controlerende ambtenaren hebben niet of onvoldoende gecontroleerd en tenminste één wethouder heeft een onjuiste vergunning zonder meer voor gezien geparafeerd, zonder er iets van te zeggen. Bovendien hebben controles jaar in jaar uit steeds in de laatste dagen van het jaar plaatsgevonden, waarmee zij elk verrassingseffect ontbeerden.''

,,De beslissing van het openbaar ministerie [die de overheid niet wilde vervolgen, red.] om niet van de heersende leer af te wijken is gerechtvaardigd. Het is niet aan de rechterlijke instanties te Almelo om in deze het voortouw te nemen, maar hier is een taak weggelegd voor de wetgever, hetzij voor het gerechtshof te Arnhem.''

,,Het bewijs van deze feiten met betrekking tot [oud-Fireworks-eigenaar] Smallenbroek is niet sterker of zwakker dan dat met betrekking tot verdachten en de verjaringstermijn is twaalf jaar. Het ongemotiveerde beroep van het openbaar ministerie op het opportuniteitsbeginsel voor zijn beslissing om Smallenbroek niet te vervolgen, acht de rechtbank in dit verband dan ook onbegrijpelijk.''