Paars heeft krijgsmacht veel te lang laten voortmodderen

In de afgelopen regeerperiode zijn de meeste moeilijke keuzen rondom de krijgsmacht uit de weg gegaan, door een gebrek aan politieke moed, vindt J. Schaberg.

Een krijgsmacht, als instrument van buitenlands beleid, moet ook beoordeeld worden op de bereidheid van politieke bewindslieden deze krijgsmacht in tijden van gevaar in te zetten. De test kwam op 11 september. Er was bangigheid bij de minister: ,,Het is een soort nieuwe Koude Oorlog, je weet niet wat je moet doen, de wereld zal nooit meer hetzelfde zijn'', was zijn reactie. Later kwam het getalm met de artikel 5 verklaring in de NAVO, vervolgens de Nederlands militaire bijdrage met uiterst laag risicogehalte, en ten slotte het gedraai of de F16's gevechtstaken mochten uitvoeren. Voor het oog van de wereld heeft Nederland gefaald. Het was de anti-climax van hetgeen zo ferm begon.

In het regeerakkoord van 1998 was overeengekomen dat op Defensie in vier jaar anderhalf miljard gulden bezuinigd zou moeten worden. Minister De Grave zou dat varkentje wel wassen. Eenmaal in functie, in augustus 1998, liet hij weten dat niet met de kaasschaaf kon worden bezuinigd: ,,Op een gegeven moment is de kaas op, bepaalde taken moeten worden heroverwogen''. Hij zou de beslissingen wel nemen. Die flinkheid verkruimelde snel. Vervolgens verklaarde hij dat hij de bezuinigingen wilde opvangen met incidentele maatregelen en door investeringen uit te stellen. De lobby in en rond de krijgsmacht was sterker gebleken dan de minister.

In de Defensienota 2000 werden vervolgens alle taken gehandhaafd: alles een beetje minder en bezuinigen bij opleidingen en personeel. Die bezuinigingen bleken al snel onhaalbaar. De minister gebruikte nu een nieuw excuus om beslissingen uit de weg te gaan: zolang in Europa geen taakspecialisatie is afgesproken, kan afstoting van taken niet aan de orde zijn. Dat is onzin. Grotere landen zullen nooit afhankelijk willen worden van een ander land. Een kleiner land als Nederland zal echter nooit zelfstandig optreden, altijd samen met een groter land. Er is geen behoefte aan een complete Nederlandse krijgsmacht.

Extra geld wilde deze minister nooit vragen. Ook niet na 11 september, toen de krijgsmacht er taken bij kreeg. In februari nog wees hij een verhoging van de defensie-uitgaven af. Voordat we de belastingbetaler om meer geld vragen moet Europa eerst beter gaan samenwerken, zei hij. Dat is een onverantwoorde ontkenning van de problematiek.

De situatie bij de krijgsmacht is aan het einde van deze regeerperiode nijpend geworden. De marine kan niet al zijn dure fregatten bemannen en in de vaart houden. Bij de luchtmacht is de inzetbaarheid van de nieuwe helikopters sterk beneden de maat, zijn honderden extra mensen nodig voor de onderhoudsorganisatie, en zijn er te weinig reservedelen. Beide krijgsmachtonderdelen hebben kostbare investeringen binnengehaald, maar hebben nu problemen met de exploitatiekosten en andere voorzieningen. Bij de landmacht is sprake van materieelveroudering en van bezuinigingen op brandstof, munitie, infrastructuur, oefeningen en voorraden reservedelen. Al deze problemen worden bedekt, want de militaire leiding is tot het extreme loyaal aan de politiek.

Voor alle krijgsmachtdelen geldt dat er nauwelijks financiële ruimte is, tenminste voor de komende regeerperiode. Het beschikbare budget is bijna volledig vastgelegd op zaken die niet meer te veranderen zijn, zoals personeelskosten. Ook bij reorganisaties of ontslagen lopen personeelskosten nog geruime tijd door. Verder zijn er financiële verplichtingen als gevolg van in het verleden geplaatste orders, bijvoorbeeld voor materieel. Daarenboven zijn er uitgaven waaraan niet te ontkomen is: als nieuw materieel is besteld moet ook de onderhoud- en oefencapaciteit daarop worden afgestemd.

Daardoor is er voor allerlei broodnodige nieuwe voorzieningen te weinig geld. Tegen deze achtergrond zal het financiële avontuur dat minister De Grave met de vervanging van de F16 wil aangaan, tot grote problemen leiden.

De veiligheidssituatie is de afgelopen jaren verslechterd. Vooral de vraag naar landstrijdkrachten is toegenomen. In de Kosovo-oorlog ging Europa door het oog van de naald omdat sterke landstrijdkrachten om Servië op de knieën te dwingen toen de luchtbombardementen faalden, ontbraken. In Bosnië, Kosovo en Macedonië zullen landstrijdkrachten nog lang nodig blijven. Omdat de Verenigde Staten hun troepensterkte daar sterk willen verminderen, zullen de Europese landen en dus ook Nederland hun aandeel daar moeten verhogen. Als in Afghanistan geen aanzienlijke troepenmacht blijft, gaat het daar zeker weer fout.

We kunnen nog veel meer verwachten. In het Israëlisch-Palestijnse conflict is geen oplossing denkbaar zonder internationale militaire presentie op de grond. En nu spreken we nog niet over tal van andere latente crises aan Europa's grenzen. Alleen troepen op de grond kunnen het vertrouwen creëren dat nodig is om tot normalisering van een verstoorde situatie te komen. Landstrijdkrachten zullen het middel moeten zijn waarmee Nederland zichtbaar van zijn medeverantwoordelijkheid in Europa blijk geeft.

Maar juist bij de landmacht liggen de grootste problemen. Dat krijgsmachtdeel is na de Koude Oorlog het sterkst gereorganiseerd. Het heeft bijna driemaal zoveel personeel ingeleverd als de andere krijgsmachtdelen samen en zijn taak is verschoven van een op een snel inzetbaar NAVO-legerkorps gerichte inspanning naar een flexibele organisatie voor conflictbeheersing en vredestaken. Die organisatie heeft zich intussen ruim bewezen.Tienduizenden landmachtmilitairen hebben taken verricht in crisisgebieden en constant zijn er 1500 à 3000 op missie.

De toestand bij de landmacht is inmiddels rampzalig. De problemen zijn enige tijd onzichtbaar gebleven omdat de werving achterbleef bij de prognoses, waardoor geld vrijviel. Nu de werving aantrekt droogt deze geldbron op. De professionalisering van de organisatie, gericht op uitzendingen onder onverwachte omstandigheden, leidt tot hogere exploitatiekosten. Om aan de internationale standaard te voldoen moet er bijvoorbeeld intensiever en gevarieerder worden geoefend. Dat leidt tot een groter verbruik van reservedelen en dergelijke en grotere slijtage van het materieel.

Er is weinig financiële ruimte voor allerlei noodzakelijke nieuwe aanschaffingen ter vervanging van het sterk verouderende materieel. Zo'n twee miljard Euro aan materieelaanschaffing moet ten minste tien jaar worden uitgesteld. Het neveneffect hiervan is niet alleen dat straks troepen moeten worden uitgezonden met een gebrekkige uitrusting, het effect is ook dat de exploitatiekosten om het materieel gebruiksgereed te houden drastisch toenemen, waardoor weer geld aan andere zaken moet worden onttrokken. Men belandt zo in een vicieuze cirkel.

In de afgelopen regeerperiode zijn alle grote beslissingen uit de weg gegaan. Er moeten, twaalf jaar na het einde van de Koude Oorlog, eindelijk eens keuzen worden gemaakt. Organisatie-elementen die niet of te weinig nut hebben in een Europese veiligheidssituatie, moeten worden geschrapt. Daar is politieke moed voor nodig en daaraan heeft het tot nu toe ontbroken. Elke organisatiewijziging zal pas na veel jaren geld opleveren. Aan verhoging van het defensiebudget valt dus niet te ontkomen. Het niet nemen van beslissingen en het laten voortmodderen getuigt van deloyaliteit van de politiek aan de krijgsmacht en haar personeel. Juist in een periode dat er een versterkt beroep op de krijgsmacht wordt gedaan, is dat immoreel.

J. Schaberg is generaal-majoor b.d. van de landmacht.