Falen overheid bepalend voor vonnis

De milde straf voor de directeuren van S.E. Fireworks in verband met de vuurwerkramp in Enschede, hangt samen met de verwijten van de rechtbank aan een falende overheid.

Zij waren de zondebok zo hebben de directeuren Bakker en Pater van het Enschedese rampbedrijf S.E. Fireworks het voorgesteld. Niet helemaal zonder resultaat, zo blijkt uit het vonnis dat de rechtbank in Almelo gisteren over hen velde. Een feitelijke strafmaat gelijk aan de duur van hun voorarrest – al was dat door allerlei maatregelen extra zwaar – steekt schril af tegen het beschikbare strafmaximum van acht jaar. Dat maximum was bovendien het restant dat overbleef nadat het kernverwijt van medeschuld dat de twee directeuren werd gemaakt uit het vonnis was gehaald. Medeschuld aan de ramp die 22 dodelijke slachtoffers eiste, plus psychische en materiële ravage. Het oorzakelijk verband tussen de handelwijze van Fireworks en de rampzalige gevolgen is volgens de rechtbank niet aangetoond.

De strafzaak werd daardoor teruggebracht tot een kwestie van vergunningen. De directeuren hebben deze aan hun laars gelapt, zij hebben ze niet eens gelezen. Dat was ,,verwijtbaar'', zegt de rechtbank, maar geen ,,brand of dood door nalatigheid''. Toch zijn de geconstateerde overtredingen bij elkaar formeel al goed voor die maximale straf van acht jaar.

Het openbaar ministerie was daar met zijn eis van 30 en 15 maanden al fors onder gaan zitten. Dat de rechtbank nog verder gaat is opmerkelijk. Al was het alleen omdat het falen van de overheid in beide redeneringen een grote rol speelt. ,,Onvoorstelbaar onzorgvuldig op alle fronten'' noemt de rechter de rol van de overheid in het drama.

Juridisch gezien is het probleem dat overheden lastig zelf voor de strafrechter gedaagd kunnen worden. Voor de staat (in dit geval het bureau Milan van het ministerie van Defensie) is dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad al helemaal uitgesloten. Bij gemeenten bestaat die mogelijkheid wel, behalve als het de uitvoering van een exclusieve overheidstaak betreft. De rechter in Almelo is het met het OM eens dat het falende vergunningenbeleid en dito controles door de gemeente Enschede en haar ambtenaren, onder de termen van zo'n kerntaak vallen. Daar is kritiek op in de Tweede Kamer, maar de rechter houdt zich bij de Hoge Raad.

De rechtbank vindt ook dat de directeuren reden hebben zich te beklagen dat zij wél strafrechtelijk zijn vervolgd, maar hun voorganger niet. Er zat geen dag tussen toen zij in 1998 een reeds met fouten beladen boedel van hem overnamen, en een strafzaak tegen hem is niet verjaard. Waarom zijn de opvolgers wél aansprakelijk voor de voortzetting en de directe voorganger niet voor de opbouw van het rampbedrijf? [Vervolg FIREWORKS: pagina 3]

FIREWORKS

Netelige zaken in strafmaat

[Vervolg van pagina 1] Dat is ook voor de rechtbank de vraag, maar zij houdt het erbij dat het OM op dit punt nu eenmaal een grote beleidsmarge heeft.

De rechtbank vindt wel dat hier sprake is van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel. Een groot woord. Strikt genomen zou dit moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – het einde van de zaak tegen de twee directeuren – maar de rechtbank zoekt het antwoord op deze inbreuk in de strafmaat. Dat gebeurt ook met andere verwijten die het OM te maken vallen, zoals over de manier waarop het is omgegaan met telefoontaps.

Hier neemt het vonnis van de rechtbank een belangrijke wending. Netelige juridische kwesties, zoals de strafbaarheid van de overheid, het gelijkheidsbeginsel en zelfs een beetje oorzaak en gevolg, zijn verschoven naar het slot van het verhaal, de straftoemeting. Incidenteel gebeurt dat wel vaker, maar hier wordt wel een hele last op de strafmotivering gelegd. Dit onderdeel is een stiefkindje in de rechtspraak. Bij voorkeur maken rechters zich ervan af met de standaardformule ,,gezien de ernst van het feit en de persoon van de verdachte''.

De rechtbank in Almelo is er voor gaan zitten en stelt zich daarmee kwetsbaar op, vooral door de medeschuld van de overheid zo zwaar te laten tellen ten gunste van de verdachten. De rechtbank beroept zich op jurisprudentie die zegt dat zij bij de straftoemeting rekening mag houden met ,,anderen die mogelijk ook vervolgd hadden kunnen worden, ook vervolgd zijn of nog vervolgd worden''. Geen van deze drie mogelijkheden gaat volgens haar eigen vonnis echter op voor de falende overheid in deze casus.

In hoeverre kan de calculerende burger zich verschuilen achter een falende overheid? Dat is de centrale vraag in dit vonnis. De rechtbank stelt vast dat vóór Enschede eigenlijk niemand in Nederland benul had van de classificatie van grote hoeveelheden vuurwerk – met de verantwoordelijke instanties voorop. Maar officieel onbenul betekent nog niet dat er objectief gezien geen oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van een tijdbom op een rommelig bedrijf midden in een woonwijk, en een ramp. Laat staan dat een modale vakman niet hoeft te bedenken wat hij met massavuurwerk in huis haalt.

hoofdartikel: pagina 7

www.nrc.nl/docvonnis