Een boze droom die werkelijkheid wordt

Op mijn knieën zat ik voor een volle toiletpot. Opeens kreeg ik van een onzichtbare hand een vork aangereikt. Onder luid gelach van mij onbekende omstanders moest ik de drollen uit het water prikken en die langzaam kauwend opeten.

Deze nachtmerrie had ik december vorig jaar en zoals dat gaat was ik hem gaandeweg vergeten. Maar gisteren stond ik eindeloos te wachten bij een Israëlische wegversperring in Oost-Jeruzalem en kwam de droom opeens in detail terug. Het werd mij glashelder waarvan hij de verwerking was.

Het was een doodgewone Israëlische wegversperring. Een lange rij auto's vol Palestijnen tegenover vier Israëlische soldaten van een jaar of achttien met blitse kapsels en het nieuwste model mobieltje. In de duisternis van de vroege avond wenkte een van de soldaten steeds een auto met zijn zaklantaarn. Het was een ding groter dan zijn onderarm. Op het lichtsignaal van de soldaat moesten alle mannelijke passagiers uitstappen en in de koude wind hun middel ontbloten, om te laten zien dat ze daar geen bom hadden verstopt. Intussen hielden de andere drie Israëlische soldaten de mannen en de overige passagiers in de auto, kleine kinderen en oude vrouwen, met hun hypermoderne wapens onder schot.

,,Moet je nou kijken,'' zei mijn taxichauffeur, een jongen van net 22 die als Palestijn niets aankan met zijn universitaire diploma, nog nooit naar het buitenland heeft mogen reizen en al jaren zijn familie in de Gazastrook niet meer heeft mogen opzoeken. ,,Die wegversperringen zijn puur bedoeld om ons te breken en het Israëlische volk het gevoel te geven dat er iets gebeurt tegen de aanslagen. Maar een aanslagpleger kan gewoon door de velden hier, om deze en andere wegversperringen heen. En die soldaten weten dat.''

We keken zwijgend op ons horloge, en toen naar het tafereel voor ons. ,,Weet je hoe lang ik over de rit naar Beit Hanina heb gedaan?'' vroeg de chauffeur. Beit Hanina ligt zo'n tien kilometer buiten het centrum van Palestijns Oost-Jeruzalem. ,,Twee uur. Je kunt nog sneller naar Jordanië rijden.''

En toen had een Palestijn voor ons het gehad. Eerst deed hij keurig zoals het hoort zijn trui omhoog om zijn buik te laten zien. Maar toen hij zich omdraaide om zijn rug te tonen, liet hij plotseling en tot grote hilariteit van de hele rij auto's, ook zijn broek zakken. Toen hij terug was in zijn auto, liep de Israëlische militair op hem af, liet het raampje naar beneden draaien en gaf de man met zijn enorme zaklantaarn drie meppen op zijn hoofd. Vervolgens gebaarde hij: doorrijden.

Het was op dit moment dat ik mij mijn nachtmerrie herinnerde en opeens begreep waar hij uit voortkwam. Ik had die dag medio december vorig jaar samen met een Palestijnse collega uit Jeruzalem een reis gemaakt naar Jenin op de Westelijke Jordaanoever. Toen we Jenin uit wilden, bleek dat de collega helemaal nooit toegelaten had mogen worden tot de stad omdat hij als inwoner van Jeruzalem een Israëlisch paspoort heeft. En Israëliërs mogen niet meer de Palestijnse gebieden in. Terwijl we allebei uitgehongerd waren en vreselijk naar het toilet moesten, liet het Israëlische leger ons zonder uitleg twee uur wachten. Daarna mochten we opeens, weer zonder uitleg, doorrijden. Dachten we. Want 200 meter verder stond de Israëlische grenspolitie die ons opnieuw tegenhield. ,,Maar het leger heeft ons net doorgelaten'', zeiden we, ,,bel anders even.'' De grenspolitieman snoof en liep weg. In de bittere decemberkou liepen we twee uur lang met de handen op de rug doelloos heen en weer, wachtend op een politieman die zou zijn gebeld. Wat doe je op zo'n moment? Je niet laten kennen en onverstoorbaar onderling grapjes blijven maken, of juist kwaad worden en een scène schoppen, met het risico dat mijn collega zes maanden of meer de `administratieve detentie' (de Israëlische term voor vastzitten zonder proces) in ging. Jij mag best gaan hoor, knikte de grenspolitieman tegen mij. Toen kwam de politieman en mochten we, opnieuw zonder uitleg, doorrijden. De hele weg terug zweeg mijn Palestijnse collega, terwijl ik probeerde mijn gevoelens te benoemen.

Gisteren in de rij bij de wegversperring begreep ik eindelijk wat die gevoelens in de kern waren, en hoe mijn onderbewustzijn die had vertaald: vernedering. Zo'n ervaring als in Jenin had ik eenmaal, maar hoe moet het zijn om al vijfendertig jaar op deze manier door botte Israëlische knulletjes te worden gekoeioneerd?

Dan blijft het op een gegeven moment niet meer bij een boze droom.