Dit zijn geen boeven, maar prachtmensen

Na de aanval op Afghanistan wisten veel moslimextremisten uit te wijken naar Pakistan. Het leger probeert verdere infiltratie te stoppen.

Qeemat Shah is een idealist. ,,Ik wil helpen mijn land te verdedigen. Mijn volk is een dapper volk en ik wil iets doen voor mijn land.'' Twee zinnen later zegt hij dat hij werkloos is, net zoals de meesten van zijn stamgenoten, en dat hij de kans wil aangrijpen om een beter bestaan op te bouwen. ,,Hier zijn nauwelijks banen, er zijn geen winkels, geen gezondheidszorg''.

Qeemat Shah (21) is niet de enige die werk zoekt. Ongeveer driehonderd mannen uit de omgeving van Jarobi, een gehucht in de Teerah-vallei ten zuiden van de Khyber-pas, de `toegangspoort' naar Afghanistan, hebben zich verzameld op de dorre, stenige vlakte. De meesten dragen een geweer, zoals ze gewoon zijn, en wachten zwijgend hun beurt af. Voor hen staat een tafeltje waarachter drie rekruteringsofficieren van het Pakistaanse leger hebben plaatsgenomen. ,,Dit zijn prachtmensen. Dit zijn niet de boeven die de buitenwereld van hen heeft gemaakt. Dit zijn talentvolle mensen die je overal kunt gebruiken als je ze maar de kans geeft'', zegt kolonel Bangash.

Of ze deze keer die kans krijgen is nog de vraag. De minimumeis voor toelating tot het leger is dat de rekruten hun tiende schooljaar hebben gehaald. Het overgrote deel heeft dat niet en velen zijn nagenoeg ongeletterd. Om precies te zijn: slechts twee van de driehonderd mannen voldoen aan het criterium. ,,Ik vind niet dat je al die anderen moet afwijzen. We moeten ze bijscholing geven zodat ze alsnog kunnen toetreden. Maar dat is ter beoordeling aan de legerleiding'', zegt kolonel Bangash.

De Teerah-vallei is een van de zogeheten tribale gebieden in de Pakistaanse North West Frontier Province langs de grens met Afghanistan. De onherbergzame en ontoegankelijke regio wordt bevolkt door verschillende stammen die elkaar van nature wantrouwen, maar die eensgezind zijn in hun afkeer van vreemde inmenging. Hier worden eeuwenoude Pathaanse tradities in ere gehouden. Hier worden vetes gewoonlijk gewapenderhand beslecht en wordt recht gesproken volgens de eigen normen en waarden van vergelding en bloedwraak. Buitenstaanders, inclusief de Pakistaanse autoriteiten, zijn hier niet welkom. De bevolking, nauw verwant met de Pathanen in Afghanistan, leeft van de landbouw, maar van oudsher ook van smokkel en, in naburige gebieden, van de vervaardiging van wapentuig.

Maar 11 september heeft ook in de geïsoleerde Teerah-vallei voor een doorbraak gezorgd. Voor het eerst sinds de laatste Britse expeditie in 1897 zijn Pakistaanse soldaten hier neergestreken. Hun belangrijkste taak is niet het rekruteren van jongemannen, al is dat mooi meegenomen, maar het afgrendelen van de grens tegen Al-Qaeda-strijders en andere indringers uit Afghanistan. Hemelsbreed ligt Jarobi op bijna veertig kilometer van Peshawar, maar met een legertruck ben je ruim een dag onderweg om er te komen. De voorhoede werd afgelopen oktober met helikopters gedropt. Om de meest afgelegen posten aan de grens te bereiken, moeten tenten, voorraden en ander materieel worden overgeladen op ezels.

Dat de troepen worden getolereerd, is te danken aan luitenant-generaal Ali Muhammad Jan Aurakzai. Deze generaal, zelf afkomstig uit de tribale gebieden, werd na 11 september door de Pakistaanse legerleider en president Pervez Musharraf benoemd tot corpscommandant in Peshawar. Hij liet zich in een legerhelikopter afzetten op verschillende plaatsen in de tribale gebieden en wist in informele gesprekken met lokale stamleiders instemming te verkrijgen voor de komst van de `vreemde' soldaten. Aurakzai had wel een dwingend argument: `als jullie niet akkoord gaan, worden jullie ook meegesleurd met de gebeurtenissen in Afghanistan. Dan is het risico groot dat de Amerikanen ook jullie gebieden bombarderen in hun jacht op de Talibaan en Al-Qaeda. Dan zijn ook jullie je onafhankelijk kwijt.' En, beloofde de corpscommandant: het leger zal zich niet bemoeien met jullie gebruiken en gewoonten.

Het basiskamp van het leger bij Jarobi ligt op 1.500 meter hoogte. In oostelijke richting strekt de schrale vallei zich uit als een soort maanlandschap, met her en der wat huizen: vierkante, lage bouwsels, verscholen achter lemen muren. Slechts op een enkel plekje is een stuk groen te zien. Een jongetje drijft een kudde geiten over een smal pad en een eindje verderop tekent zich de kleurrijke kleding af van enkele vrouwen met waterkruiken op het hoofd. Een paar kilometer naar het westen ligt Mishtara, de vooruitgeschoven militaire post die uitzicht biedt op de bergkammen die de grillige grenslijn met Afghanistan vormen. Aan de overkant van een drooggevallen rivierbedding patrouilleren soldaten en in de verte zijn de stipjes te zien van soldaten die bivakkeren op de bergtoppen.

,,U kunt er zeker van zijn dat niemand hier onopgemerkt voorbij komt'', zegt commandant Zafor. Vierduizend soldaten van het leger bewaken hier de grens over een lengte van zeventig kilometer. Ze worden bijgestaan door gidsen van Khasadar, de lokale milities. ,,Zij kennen hier elk paadje en weten precies wie hier thuis hoort.''

Volgens commandant Zafor heeft alleen de aanwezigheid van de soldaten al een ,,afschrikkende'' werking. ,,Wij zijn hier niet gestuit op strijders van Al-Qaeda'', zegt hij. Voorlichtingsofficier Muhammad Aamir Uppal bevestigt dat. Volgens hem werden na de bombardementen bij Tora Bora in de derde week van december 120 Al-Qaeda-strijders van verschillende nationaliteiten gearresteerd in het zuidelijker gelegen Kurram-district. Sindsdien is er hier en daar nog wel eens een enkel treffen geweest, maar de laatste tijd is rustig in het grensgebied. ,,De verhalen over aanhoudende infiltraties kloppen niet'', zegt hij.

De betrekkelijke rust betekent niet dat de soldaten stil zitten. Naast de witte tenten bij het basiskamp metselen soldaten en mannen uit de buurt een muur voor een schoolgebouw. De legerhelikopter heeft zojuist enkele artsen afgeleverd. Die gaan nu in een jeep op weg naar een nabijgelegen medisch centrum voor de lokale bevolking, ingericht onder tentdoek. Onderweg passeren ze een groepje soldaten die een put slaan bij een natuurlijke bron. Het water stroomt nu nog weg over het bergpad, maar zal over enige tijd via een plastic leiding naar een dorp worden gevoerd dat enkele kilometers verderop ligt. Bij de uitkijkpost Mishtara zitten tientallen jongetjes en meisjes op de grond onder de strak blauwe hemel. `Eén en één is twee, twee en twee is vier', dreunen ze in koor op, terwijl enkele militairen de wacht houden.

De goede werken behoren tot het charmeoffensief van het leger in de tribale gebieden. ,,Hier was niets: geen gezondheidszorg, geen scholen, geen wegen, geen waterreservoirs voor irrigatie, geen winkels. De stamleiders hebben gevraagd of wij niet iets voor hen konden doen. En dat kunnen wij. Het militaire budget is natuurlijk beperkt, maar wij kunnen veel effectiever te werk gaan dan de politieke autoriteiten en hulporganisaties'', zegt majoor Uppal. ,,Wij hebben het voor elkaar gekregen dat jongens en meisjes samen onderwijs krijgen. Dat was hier tot voor kort ondenkbaar. We leggen ook wegen aan zodat de gebieden uit hun isolement geraken. Maar dat doen we heel omzichtig. We werken op vijf, zes verschillende punten aan dezelfde weg zodat het ene dorp zich niet achtergesteld voelt bij het andere. Eerdere plannen zijn nooit uitgevoerd omdat de ingenieurs geen rekening hadden gehouden met de rivaliteit tussen de verschillende stammen.''

Qeemat Shah lijkt overtuigd van de goede bedoelingen van het leger. ,,De Talibaan hebben Afghanistan geruïneerd' zegt hij. ,,We hopen dat de Amerikanen niet deze streek gaan bombarderen. Daarom ben ik blij dat het leger ons beschermt tegen het onheil dat aan de andere kant van de grens geschiedt'', vertaalt de militaire tolk.

Hoe lang de Pakistaanse soldaten nog blijven, is onzeker. ,,Misschien een paar maanden, misschien een jaar, misschien langer'', zegt een van de officieren. ,,Dat moet je ons niet vragen'', voegt een collega lachend toe. ,,Dat moet je de Amerikanen vragen.''