Nauwelijks vat op mensensmokkel

Zo'n 80 procent van de vluchtelingen die Nederland aandoen, maakt gebruik van smokkelorganisaties. Maar het lukt nauwelijks om structuur en verantwoordelijken achter de netwerken te ontrafelen.

Een enkeltje Irak-Nederland kost een vluchteling zo'n 6.500 dollar. Al naar gelang het ingekochte pakket bij de smokkelorganisatie. De prijs is afhankelijk van het soort vervoer, garantieafspraken over het halen van het beloofde land, van de beschikbaarheid van reisdocumenten of van een geloofwaardig reis- en asielverhaal. En van het aantal personen dat mee op transport gaat.

Eind jaren negentig onderzocht de unit mensensmokkel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de smokkelroutes van Irakese vluchtelingen. Maar greep op de organisatie achter de smokkelaars zelf was nauwelijks te krijgen, of het zou het gegeven moeten zijn dat ze vaak de Turkse nationaliteit of een Turkse achtergrond hebben. Asielzoekers zijn ook niet scheutig bij het verstrekken van informatie over de transporteurs. Ze krijgen van tevoren te horen welk vluchtverhaal ze bij aankomst moeten opdissen. En onder bedreiging krijgen ze te verstaan dat ze niets mogen vertellen over de smokkelaars zelf.

Hetzelfde geldt voor de tienduizenden Afghaanse vluchtelingen die vanaf midden jaren negentig hun heil in Europa zochten. Identiteitspapieren, als de vluchtelingen daar al over beschikken, bieden geen uitkomst. Op Schiphol trof de marechaussee bij de gevluchte Afghanen voornamelijk valse paspoorten aan. Afghanen betalen gemiddeld twee keer zoveel voor hun enkeltje Europa als Irakezen, zo'n 12.000 dollar. Maar er zijn ook vluchtelingen die 40.000 dollar moeten neerleggen. Eind jaren negentig gaf meer dan 90 procent van de Afghaanse vluchtelingen aan dat ze via een `reisagent' op transport waren gezet.

De Doverzaak, waarbij 58 illegale Chinezen tijdens transport in een Nederlandse vrachtauto door verstikking omkwamen, gaf aan hoe goed georganiseerd de smokkelaars te werk gaan. Rechercheonderzoek strandt vaak op samenwerking met de bestemmingslanden en een adequate gezamenlijke Europese aanpak bij de opsporing strandt vaak op juridische en praktische barrières. Mensensmokkel is een miljardenindustrie waar justitie nauwelijks zicht op heeft.

In 2000 bracht justitie 296 zaken aan bij de rechtbank. Daarvan kwam 40 procent terecht bij de meervoudige strafkamer, schrijft minister Korthals van Justitie in een brief aan de Tweede Kamer. Het merendeel betreft dus zaken met een celstraf van minder dan een jaar, hetgeen erop duidt dat daarbij niet de kopstukken van de smokkelorganisaties achterhaald zijn.

Ook in de vrouwenhandel zijn mensensmokkelaars achter de schermen actief. Zo blijkt uit politierapportages uit de jaren negentig dat het merendeel van de illegale prostituees op de Amsterdamse Wallen na betaling van forse bedragen in het moederland in georganiseerd verband naar Nederland komen. De chantage om te voorkomen dat vrouwen `doorslaan' bij de politie is waarschijnlijk omvangrijker. Vaak wordt gedreigd met represailles aan het adres van achtergebleven familieleden in het land van herkomst of moeten zij bij aankomst hun paspoort afgeven tot ze de schulden hebben afgelost die zij voor de reis hebben gemaakt. Veel vrouwen zijn ook bang dat zij na aangifte het land worden uitgezet. Vanaf 1990 hebben zich 4.000 slachtoffers van vrouwenhandel tot de Stichting tegen Vrouwenhandel gewend. Tussen 1998 en 2001 kregen 145 vrouwen van de IND een tijdelijke verblijfsvergunning, nadat zij aangifte bij de politie hadden gedaan.

In de brief kondigt Korthals naast capaciteitsuitbreiding voor het OM aan dat het Informatie- en Analysecentrum Mensensmokkel van justitie gerichter onderzoek gaat verrichten naar de smokkelorganisaties. Korthals: ,,De nadere concretisering vergt, zoals u zult begrijpen, enige tijd.''