Levenskunstenmakerij

In deze tijd die volgens velen gekenmerkt wordt door hufterigheid, verval van normen en waarden, gebrek aan zingevende kaders en andere doffe ellende, stellen velen zich de vraag: hoe te leven? Daarmee zetten zij hun eerste schreden op het pad dat levenskunst wordt genoemd. Al spoedig zullen zij bemerken dat zij niet de enigen zijn. Levenskunst is in de mode. Dat is niet voor niets, want `Het leven leeft zich niet vanzelf', zo staat enigszins onheilspellend op de omslag van Filosofie van de levenskunst, de Nederlandse vertaling van Schönes Leben van Wilhelm Schmid. Enige hulp van mensen die zichzelf aanduiden als, of gerekend worden tot, de filosofen van de levenskunst is daarom voor de levenskunstenaar-in-wording, zo niet onontbeerlijk dan toch wel sterk aan te raden, lijkt de suggestie.

Geen probleem. Filosofen van de levenskunst zijn er in overvloed. In Vrij Nederland werd naar aanleiding van Schmids boek zelfs gesproken van een frisse wind die door de filosofie aan het waaien was. ,,De filosofen nemen de levenskunst weer ernstig en dat werd hoog tijd!'' Zo kan de levenskunstenaar-in-wording behalve bij Schmid zijn heil zoeken bij Martha Nussbaum, Fernando Savater, Joep Dohmen (de humanist welteverstaan, niet de door mij zeer bewonderde journalist), Chazia Mourali en nog vele anderen. Wat hebben deze denkers aan levenskunstwijsheden te bieden?

Mourali's betoog, zoals geciteerd door Dohmen, heeft in de traditie van Wim Sonneveld in elk geval een hoog `zeg maar JA tegen het leven!'-gehalte. Voor haar is leven de hoogste vorm van kunst: ,,Niet iedereen kan pianospelen of schilderen. En als je dat talent hebt, moet je het onderhouden. Dat geldt voor het leven ook. Daarom moet Leven een vak worden op school en het hoofdbestanddeel van de opvoeding thuis. Er moet een departement van Leven worden opgericht met een gezellige minister aan het hoofd, en een Nobelprijs voor Leven.'' Zo gaat het nog even door. Het is een merkwaardige uiteenzetting, waarin verwarrend genoeg en passant een zekere weerzin tegen mobiele telefoons en jonge vrouwen met strakke lijven wordt uitgesproken.

Wat kan men nog meer bij de filosofen van de levenskunst vinden? Een hoop oude wijn in nieuwe zakken. In de meeste beschouwingen over het onderwerp wordt verwezen naar de klassieke filosofen, het Renaissance-humanisme, Foucault, Nietzsche en Charles Taylor en wat deze mensen over de kunst van het leven en aanverwante onderwerpen zoals de omgang met emoties te zeggen hebben. Niet geheel als verrassing komt daaruit naar voren dat er in de loop van de geschiedenis verschillende filosofieën van levenskunst zijn ontwikkeld. Als ik dat kan bedenken, moet een levenskunstenaar in wording daar zeker toe in staat zijn.

In de verschillende artikelen die Dohmen aan het onderwerp wijdde, wordt uiteengezet wat men onder levenskunst kan verstaan. Het gaat volgens Dohmen om een specifieke levenshouding van aandacht voor je eigen leven en zorg voor jezelf. Een dergelijke levenshouding zou erop gericht moeten zijn om, zoals Schmid het verwoordde, het eigen leven niet zomaar te laten verstrijken en toeval en bepaaldheid minstens ten dele te elimineren. De levenskunstenaar neemt daarom zijn eigen leven in beheer en stelt zich tot doel zijn leven tot een kunstwerk te maken. Daartoe dient de levenskunstenaar zich over te geven aan het humanistische ideaal van zelfvervulling of authenticiteit. Om dit te kunnen bereiken is het van het grootste belang dat de levenskunstenaar niet te kwader trouw is. Dat wil volgens Savater zeggen, geen querulant, geen onverschillige, geen opportunist, geen halfslachtige en geen dogmaticus.

Hieruit begrijp ik dat er maar weinig levenskunstenaars zijn. De meeste mensen, waaronder ikzelf, vallen soms of continu in een of meer van de genoemde categorieën. Ik kom dus niet in aanmerking voor het levenskunstenaarschap. Daartegen maak ik geen bezwaar. Samen met mijn broeders en zusters in het kwaad die ook niet door het licht van de levenskunst zijn aangeraakt, leef ik. Ik leef tot ik sterf. Daarbij word ik niet geleid of geïnspireerd door een elitair concept van levenskunst dat de humanisten zich min of meer lijken te hebben toegeëigend.

Het concept van levenskunst is elitair omdat het niet of nauwelijks rekening houdt met de verschillende sociaal-economische, culturele en politieke omstandigheden en uitgangspunten van mensen. Savater maakt zich nogal gemakkelijk van dit probleem af door, met Borges als een moreel schild in de hand, te stellen dat niemand in een gemakkelijke tijd leeft en men het goede leven nu eenmaal niet cadeau krijgt. Dat vind ik te gemakkelijk. Het zijn de arrogante woorden van een winnaar. Afgezien hiervan is het concept levenskunst elitair omdat met name humanistische filosofen lijken te veronderstellen dat religieuzen niet in staat zouden zijn om authenticiteit na te streven en levenskunstenaar te zijn. Daaraan moet een karikaturaal en daarmee filosofen onwaardig beeld van religiositeit ten grondslag liggen.

Toch zijn de elitaire aspecten van levenskunst niet mijn grootste bezwaar ertegen. Wat mij van die hele levenskunstmode het meest tegen de borst stuit, is het gevoel dat ik door die pleitbezorgers van de levenskunst in de maling wordt genomen, zoals het volk in het sprookje over de nieuwe kleren van de keizer. Allerlei dingen die je toch wel doet, beslissingen nemen, je hand branden aan de kachel en daaruit concluderen dat je het ding beter niet kunt aanraken tenzij je het lekker vindt om pijn te hebben, worden met begrippen als zelfreflectie en plicht tegenover jezelf, opeens verheven tot kunst. Zo ook waar het gaat om zaken die voor mensen inderdaad minder evident zijn, zoals verantwoordelijkheid nemen. Want al neemt niet iedereen verantwoordelijkheid voor zijn leven, je hoeft je niet op de borst te kloppen als je dat wel doet. Jezelf om die reden na eindeloze pathetische zelfbespiegelingen levenskunstenaar noemen, is ronduit zielig. Goede wijn behoeft geen krans. Kunst behoeft geen kunstenmakerij. Een leven behoeft geen levenskunstfilosoof als zielzorger. Het antwoord op de vraag hoe te leven, komt van de winkelbediende: als u naar de prijs moet vragen, weet u dat u het niet kunt betalen.