Groenten in de wasmachine

De globalisering brengt technologisch ingewikkelde producten naar vele landen en bevolkingsgroepen. Eén apparaat voor alle culturen?

Het gebruik van consumentenelektronica weerspiegelt net zo goed culturele waarden als het luisteren naar muziek of het lezen van een boek. Zo koopt een Italiaan een zaktelefoon allereerst om indruk te maken op vrienden en vriendinnen: `la bella figura' is een kernbegrip in zijn cultuur. Een Duitser gebruikt echter een `handy' allereerst zakelijk: zijn aangeleerde `Pünktlichkeit' eist van hem dat hij tijdig laat weten wanneer hij te laat op een afspraak dreigt te komen. Een Indiër neemt zo'n ding omdat het vaste telefoonnet in zijn land veelal gebrekkig is en een Chinees vanwege het zendbereik, de vormgeving en de `guanxi' het onderhouden van maatschappelijke betrekkingen. Dergelijke eisen kunnen gevolgen hebben voor vorm en functie van dergelijke apparaten.

Dat zegt zintuigpsychologe dr. Pia Honold van het onderzoeks- en ontwikkelingslaboratorium van Siemens in München in haar proefschrift Interkulturelles Usability (bedienbaarheid) Engineering: ,,Door de globalisering worden ingewikkelde producten in steeds meer landen en culturen verkocht aan mensen die daarvoor de opleiding missen.''

Ook voor wasmachines geldt dat vorm en functie per cultuur kunnen verschillen. Een Duitse fabrikant ervan, die in 1996 een joint venture met een Indiaas bedrijf overwoog, liet Honold daarom met een Indiase medewerkster onderzoek doen naar lokale wasgebruiken. Zij ondervroegen in Bombay en New Delhi gebruiksters van goedkope Engelse wasmachines. Welke eisen stelden zij en waarom?

In de eerste plaats bleek dat Indiërs vaak tweemaal per dag wassen. Wasmanden worden nauwelijks gebruikt; in het subtropische klimaat zou textiel snel gaan schimmelen. Verder hebben de ondervraagde families gemiddeld slechts geld voor anderhalf uur huishoudelijke hulp per dag. Deze mag de machine niet bedienen – dat doet de vrouw des huizes – maar alleen de was ophangen. De duur van een programma wordt daarom mede bepaald door de beschikbaarheid van hulp. In de derde plaats is wassen ochtendwerk: men wast zichzelf en zijn kleren, wit en bont gescheiden, waardoor maar drie uur beschikbaar is voor wassen en drogen. Indiase vrouwen draaien dus geen kookwas van twee uur, maar een minder warme van hoogstens één uur.

In het vochtig-warme Bombay, waar de lucht veel stof en zout bevat, moeten wasmachines roestvrij zijn. Daarom kwam de kunststof bovenlader als beste uit de test. Vanwege het stof moeten wasmachines daar bovendien op wieltjes staan, zodat de vloer gereinigd kan worden. Verder moeten ze van onderen dicht zijn, omdat er anders ratten en kakkerlakken in de machine kruipen.

Een ander relevant gegeven voor een fabrikant is dat stroom en water niet de gehele dag beschikbaar zijn. Een manco van de geteste machines bleek dat ze na stroomstoringen niet het programma hervatten, maar opnieuw moesten beginnen. Door de waterschaarste is de vermelding `laag waterverbruik' in de gebruiksaanwijzing niet voldoende. Het moet voor Indiase huisvrouwen, argwanend geworden door de lange duur van veel wasprogramma's, zichtbaar zijn. Ten slotte blijken zij het regelmatig vervangen van het stoffilter aan hun echtgenoten over te laten omdat de gebruiksaanwijzing dit `onderhoud' noemt. En dat is in India mannenwerk. Heette het `bediening', dan zou het als vrouwenwerk gelden en hoefde het wassen niet te worden onderbroken.

De Italiaanse socioloog Marco Bevolo, strategic design manager bij Philips Design in Eindhoven, kent een recent Japans onderzoek van een wasmachinefabrikant die erachter kwam dat zijn apparaten op het Chinese platteland opvallend vaak stukgingen doordat de boeren er ook groenten mee wasten. ,,Toen hier in het ontwerp van de machines rekening mee werd gehouden, nam zijn verkoop toe.''

Volgens Bevolo is het niet nodig aparte Chinese machines te bouwen, maar moeten bij het ontwerp al voorzieningen worden getroffen voor afwijkende functies: ,,In Europese modellen monteer je geen groentespoelprogramma, in die voor de Chinese markt wel.'' Het voorbeeld leert verder dat ook iets ogenschijnlijk objectiefs als veiligheid cultureel bepaald is: een veilig apparaat in de handen van de ene gebruiker kan onveilig zijn voor een ander.

Bij onderzoek naar culturele verschillen bij mobiel telefoneren in Duitsland, Italië, China en India bleek dat een Duitser vaak 95 procent van zijn tijd besteedt aan de voorbereiding van een handeling en de rest aan uitvoering. Een Indiër gebruikt zijn tijd omgekeerd – en volgens een door Honold aangehaalde Indische manager met hetzelfde resultaat.

Omdat `Bildung' (beschaving) tot de Duitse cultuurstandaarden behoort, leert de Duitser de functies van z'n `handy' door het – soms zelfs met genoegen – systematisch lezen van de gebruiksaanwijzing. Daarna probeert hij het apparaat uit. Een doorsnee Chinees daarentegen leest geen handleiding, maar leert de basisfuncties van vrienden, collega's en de verkoper: hij wil snel resultaat zien.

Kan een fabrikant iets leren van Indiase huisvrouwen en Chinese boeren? Jazeker. Prof.dr.ir. Aernout Brombacher, hoogleraar industrieel ontwerpen in Eindhoven en Singapore, meent dat zij al bij het ontwerpen betrokken moeten worden: ,,Denk niet alleen aan NRC-lezers als consumenten, maar breng in een vroeg stadium de extreemste klant naar de extreemste machine totdat alle klachten verholpen zijn.''