Een dankbare DDR-jongen

Het leven voltrekt zich zoals het zich moet voltrekken. Er is geen ontkomen aan. Voor de één is het een teleurstelling dat het zo zal gaan, voor de ander een ontwikkeling die fascineert en nieuwsgierig maakt naar volgende ervaringen. Het is maar met wat voor verwachtingen je leeft.

Neem nu de mensen die tot voor 1989 in de Deutsche Demokratische Republik hebben moeten leven. Hebben zij ooit gedacht dat ze eens een ander, minder beperkt bestaan zouden hebben? Hebben zij ooit geweten dat ze in weelde konden leven, over twee auto's en een computer konden beschikken, over een televisie met dertig kanalen en een mobiele telefoon?

Erik Zabel, nu een van 's werelds beste beroepswielrenners, wist het niet toen hij zich als tienjarige jongen aanmeldde bij de Oost-Berlijnse wielerclub Rotation. Het was 1980 en hij had nog nooit van de Tour de France gehoord. Wie in de DDR leefde werd verre gehouden van opwindende gebeurtenissen in het Westen. Wie wilde sporten vereenzelvigde zich met helden van de DDR of met zijn vader. Zoals Erik Zabel met zijn vader Detlef die de `belangrijkste wielerwedstrijd ter wereld', de Vredeskoers, had gereden.

Nu, als 31-jarige, is de jongen uit Prenzlauer Berg een van de beste en rijkste beroepsrenners ter wereld. Nu beseft hij ook waarom hij de klassiekers Milaan-Sanremo (vier keer), Parijs-Tours en de Amstel Goldrace, elf etappes en zesmaal het puntenklassement in de Tour de France, de wereldbeker en in totaal 150 wedstrijden als prof heeft gewonnen. Erik Zabel heeft zich net als andere sporters uit de DDR veel moeite moeten getroosten om tot de besten te behoren. De prestaties van de DDR worden altijd geassocieerd met onmenselijke (doping)methoden. Vergeten wordt dat deze mensen meer hebben moeten doen en lijden om de top te bereiken dan pakweg een Nederlandse profvoetballer.

Ik was in de DDR en bezocht Kinder- und Jugendsportschulen. Ook de KJS Ernst Grube in Oost-Berlijn, waar Zabel als puber naar school ging, waar kinderen werden klaargestoomd voor een carrière als wielrenner, zwemmer, atleet of bokser. Ze gingen daar niet alleen naar school om te sporten, maar ook om meer te leren. Nu wemelt het in het Westen van deze scholen. Ze worden internaten genoemd, maar ze zijn bijna even ambitieus en nationalistisch als in de DDR.

Jongens als Erik Zabel werd verteld dat ze met een gouden olympische medaille eeuwig geluk voor zichzelf en hun familie konden verdienen. De kinderen overtuigden mij, tijdens mijn bezoek aan de scholen, dat ze er alles voor over hadden. Zabel won als DDR-sportman nauwelijks medailles, zo groot was zijn talent niet. Hij werd juniorenkampioen met de achtervolgingsploeg op de baan, net nadat hij door zijn vader het DDR-Leistungszentrum für Bahnradler in Berlijn was binnengeloodst. Dat was alles.

In 1992, drie jaar na Die Wende, werd hij beroepswielrenner. Hij was nog geen uitblinker, hij was de knecht van Olaf Ludwig. Gaandeweg ontwikkelde Zabel zich tot de beste sprinter van het peloton. Hij trainde ervoor zoals dat hem als DDR-jongen was geleerd. Laatst zag ik een televisieportret over hem. Zabel op zijn racefiets reed met een fietskoerier uit New York op zijn mountainbike door Manhattan. Ze stapten af bij Madison Square Garden. Zabel was ontroerd. Als jongen van dertien reed hij voor het eerst op de cementen wielerbaan van Berlijn Weissensee. Kampioen wilde hij worden, wereld- en olympisch kampioen. Nu stond hij voor het immense bouwwerk, de bakermat voor het baanwielrennen. Erik Zabel dacht aan vroeger, in de DDR. Als een mensenkind dat nog dankbaar is en uitkijkt naar de volgende ervaring.