Arabische leiders kijken toe

Arabische massa's roepen hun leiders op de Palestijnen te helpen tegen Israël. Maar dezen willen het graag bij de betogingen houden.

In de Arabische landen worden de protesten tegen het grote Israëlische offensief steeds massaler en luidruchtiger. Aangemoedigd door Palestijnse hulpverzoeken, door de beelden van Palestijnse lijken op hun televisieschermen en door hun eigen religieuze leiders gingen gisteren in Egypte, Jordanië, Marokko en andere landen honderdduizenden mensen de straat op. De betogers schreeuwden hun regeringen toe om de Palestijnen te hulp te komen. ,,Genoeg vernedering!''

Zal het Israëlische offensief een regionale oorlog ontketenen? Niet als het aan de Arabische leiders ligt. Ingeklemd tussen hun boze burgers aan de ene kant en hun lucratieve relaties met Israëls bondgenoot Amerika en ontzag voor het machtige Israëlische leger aan de andere kant, proberen zij vooral te schipperen: de zaak in eigen land in de hand te houden en zelf te overleven. De betogingen dienen daarbij als uitlaatklep.

In Egypte eisten tienduizenden betogers dat de regering de Israëlische ambassadeur zou uitwijzen. ,,Open de deur voor de jihad tegen de zionisten'', scandeerden zij. In Kairo keerden demonstranten zich tegen de politie die hen met traangas en waterkanonnen van de Israëlische ambassade weghield. ,,Geef je granaten aan [de Palestijnse leider] Arafat om zich te verdedigen tegen het varken Sharon in plaats van op ons te schieten'', schreeuwden zij. ,,Wij zijn alleen maar slaven van de regering'', antwoordde een politieman.

In Jordanië, waar de meerderheid van de bevolking Palestijns is, namen honderdduizenden deel aan de talrijke protesten die tegen het Israëlische offensief in de Palestijnse gebieden werden georganiseerd. De fundamentalistische Moslimbroederschap waarschuwde dat ,,diegenen die stil blijven de prijs zullen betalen. Geen leider zal veilig zijn.'' Maar de regeringen in Kairo en Amman achtten het (nog) niet noodzakelijk de Israëlische ambassadeurs uit te wijzen. Beide regimes zijn in hoge mate afhankelijk van de ruime subsidies uit Washington. Daarom zijn ze niet erg geneigd de Amerikaanse regering en het Congres nog verder te irriteren dan ze eerder deze maand al deden door hun afwijzing van Amerikaanse plannen tot actie tegen de Iraakse president Saddam Hussein. Beelden van bommen op Bagdad bovenop die van de Palestijnse opstand zouden hun positie gevaarlijk kunnen onderdmijnen.

De Palestijnen zelf, die hebben geleerd dat ze weinig illusies moeten hebben ten aanzien van hun Arabische broeders, riepen op tot een Arabische top of ten minste een bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken. ,,Wij leven niet op een andere planeet'', verklaarde de Palestijnse parlementsvoorzitter Ahmed Qorei gisteren. ,,Wij maken deel uit van de Arabische natie. De Arabieren moeten onmiddellijk bijeenkomen [..] om deze agressie tegen een Arabisch broedervolk het hoofd te bieden.''

Maar zelfs daarvoor bestond afgelopen weekeinde nog weinig animo. De meeste Arabische leiders beperkten zich tot scherpe verklaringen tegen het ,,barbaarse offensief'', zoals de Saoedische regering, eveneens bondgenoot van Washington, het uitdrukte, en oproepen aan de Verenigde Naties en de Verenigde Staten om er een eind aan te maken.

Alleen de notoire dwarsliggers zongen niet mee in dit koor. De Libische leider Moammar Gaddafi ging aan het hoofd van 100.000 aanhangers de straat op in Tripoli. Hij eiste dat de andere leiders hun grenzen zouden openen voor zijn vrijwilligers, die Arafat hulp wilden bieden. Terloops vroeg hij zich af waarom zijn collega's ,,honderden miljoenen uitgeven om uw legers te versterken als die niet dienen om de kinderen en de vrouwen in Palestina te verdedigen''. In Irak drong president Saddam Hussein er bij de andere Arabische olieproducenten op aan ,,economische maatregelen'' te nemen tegen Israël en zijn bondgenoten. Zijn partijorgaan, Al-Ba'ath, schreef dat ,,als olie vandaag niet wordt gebruikt als een wapen in de strijd om de eer en waardigheid van onze natie en onze godsdiensten te versterken en ons land en onze heilige plaatsen te verdedigen tegen zionisme en Amerika, is dat een vloek''.

Eigenzinnig – tot op zekere hoogte. Vooralsnog staan geen Libische vrijwilligers te dringen aan de grens met Egypte. En ook de Iraakse olie vloeit nog. Maar als de olieprijs zou stijgen door de verwijzing naar het oliewapen, zou dat Bagdad wèl goed uitkomen.