Aprilziek

De onrust in mijn lijf kon ik niet onmiddellijk verklaren. Er was in mijn lichaamstaal een soort koortsachtige beving geslopen. Ongemerkt werden mijn gebaren minder nauwkeurig en het morsen van koffie of wijn begon meer regel dan uitzondering te worden. Op straat merkte ik dat ik de neiging kreeg om me om de tien passen om te draaien, een vluchtige blik achterom werpend.

Op geestelijk gebied was het niet beter: ik had moeite om mijn woorden te vinden en vooral om mijn zinnen af te maken. Wat ik zeker wist was dat mijn ongemak iets te doen had met deze tijd van het jaar. Het lentegevoel vervulde me met afschuw en het aansterkende zonnetje deed me overmatig transpireren.

Toen ik erachter kwam dat de zomertijd was ingegaan, voelde ik een walgelijke misselijkheid bij me opkomen. April was begonnen. April! Alleen al de klank van deze maand riep ongevraagd in mijn geest verkeerde woordassociaties op: april, doodstil, codicil, bacil, Drion-pil, overkill, wc-bril.

Mijn omgeving begon er op aan te dringen: ga eens naar je huisarts, je weet maar nooit. Maar het idee om bij mijn buurman, de dokter, binnen te stappen deed me huiveren. Niets verkeerd aan de man: heel kundig en toegewijd, dat wel. Maar zijn wachtkamer. Daar hangen tal van Feyenoord-attributen aan de muren. Tussen de vaantjes onder andere een immens schilderij waar een bijna levensgrote Willem van Hanegem op je afstormt. Op een dag dat ik voor een griepje bij hem was, waagde ik te beweren dat ook Sparta een leuke Rotterdamse club is. Ik zag plots het gezicht van mijn vriendelijke huisarts betrekken en een furieuze woede bezit nemen van zijn ogen. ,,Sparta, hondenploeg'', siste hij, mijn toch al zere keel bijna dichtknijpend.

Terwijl dat soort herinneringen boven kwam drijven, wist ik het opeens weer: april, maand der verschrikkingen! April, maand waarin meestal het kampioenschap wordt gevierd! Ik was gewoon aprilziek. Dom dat ik er niet eerder achter was gekomen, terwijl de voortekenen talrijk waren geweest. Zoals bijvoorbeeld de bezetting van het Utrechtse centraal station door 300 primaten. Of de wilde taferelen tijdens Ajax 2-FC Utrecht. `Publiek in doodsangst op roltrap Arena', kopte deze krant zaterdag. In het stuk zei een jonge vrouw die op de vlucht sloeg voor een horde Amsterdamse hooligans: ,,Ik ben me doodgeschrokken. Zoiets angstaanjagends heb ik nooit eerder beleefd.''

En toen werd alles weer helder en stroomden mijn doodsangsten weer ongehinderd door mijn bloedbanen. April 1999, Feyenoord is kampioen en aan het begin van de avond loop ik op de bomvolle Coolsingel. Rotterdam ruikt naar alcohol en skunk. Ik zak met mijn enkels door een tapijt van plastic bekers en schuim. Iemand staat tegen een boom over te geven, toiletcabines zijn omvergeworpen, urine stroomt langs de gevels. Op het balkon van het stadhuis roept een autistische burgemeester dat alles weer `fantastisch' is.

Er hangt een verschrikkelijke dreiging in de lucht. In al die bloeddoorlopen ogen zie je de haat en de wrok. De ontploffing is nabij. Spoedig zullen het geweld en de barbarij de stad overspoelen. Ik zie een kind van nog geen zes jaar met een shirt van Feyenoord op de trap van een metrostation. Zijn getatoeëerde vader duwt hem voort en schreeuwt in mijn trommelvlies: `Feyenoord, hooligan!' Drie jaar later moet dat kind al in staat zijn een flinke steen door de lucht te laten vliegen.

April 2002, de spanning aan de kop van de eredivisie is te snijden. Drie ploegen kunnen nog kampioen worden, waaronder Feyenoord. Ik zie weer de ijzeren staven en hoor het glasgerinkel van de kapotgeslagen vitrines, de agenten die gericht schieten en de in doodsangst verkerende buitenlandse gasten van het Hilton hotel.

Met bevende handen sla ik de krant open en zoek de pagina met het resterende programma: van de zes nog te spelen wedstrijden moet Feyenoord vier keer uit. Ik sla de krant dicht. Voel me niet gerustgesteld. Ik zweet hevig. Ik ben aprilziek.