Terug naar Bleak House

Dickens' satirische meesterwerk over recht en onrecht bereidde de weg voor Kafka, Conan Doyle, Dostojevski en vele anderen die de literatuur de moeite waard maken, stelt Pieter Steinz.

Met een adembenemend hoofdstuk over de London fog en een even verstikkende rechtszaak introduceerde Charles Dickens precies 150 jaar geleden de eerste aflevering van Bleak House. Aan lezers zal het zijn negende feuilleton niet ontbroken hebben: Dickens was al een Rushdie-achtige `celebrity' sinds de publicatie van zijn humoristische Pickwick Papers (1837); en met instant-klassieke kerstverhalen als A Christmas Carol en romans als Oliver Twist, The Old Curiosity Shop en David Copperfield had hij zich bewezen als een veelzijdig satiricus en een meester van het stijlvolle sentiment.

Ook in Bleak House keerde Dickens zich op een subtiele manier tegen de armoede, de onbeweeglijkheid en de hypocrisie van de Britse klassenmaatschappij. Zijn hoofdpersoon Esther Summerson, die de helft van het verhaal in de ik-vorm vertelt, is een vertrouwd Dickens-personage: een wees (tenminste, dat denkt ze) die het geheim van haar afkomst ontdekt en uiteindelijk het geluk vindt. Maar ondanks het gelukkige einde is het vuistdikke Bleak House allesbehalve een feelgood novel. Bederf beheerst de rechtbank – zoals de mist Londen – en strekt zich uit tot alle lagen van de samenleving; diverse personages, ook sympathieke, komen op een afschuwelijke manier aan hun eind. De roman wordt dan ook gezien als de eerste uitDickens' `dark period', die onder meer Hard Times en Little Dorrit zou opleveren.

In de door de alwetende en moralistische verteller geschreven hoofdstukken van Bleak House toont Dickens – toch al een van de invloedrijkste schrijvers ooit – zich een Kafka avant la lettre: de zaak `Jarndyce and Jarndyce', die sinds onheuglijke tijden de Londense Chancery verstopt, is `zo gecompliceerd dat geen levend mens hem begrijpt' en heeft al heel wat rechtzoekende individuen gefrustreerd en vermorzeld. Daarnaast is Bleak House een van de eerste detectiveromans; niet zozeer omdat de plot draait om een aantal met elkaar samenhangende raadsels, maar vooral door het optreden van de archetypische inspecteur Buckett, die tegen het einde van het boek een moord reconstrueert op de gemoedelijke wie-in-deze-kamer-heefthet-gedaan-manier, die later zou worden geperfectioneerd door Sherlock Holmes en Hercule Poirot.

Bleak House navertellen is ondoenlijk – al was het maar omdat de verhaallijnen zulke mooie kronkels hebben – en zinloos. Want meer nog dan een spannende en goed geconstrueerde zedenroman is Dickens' magnum opus een wonder van stijl, van superieure retoriek, verrassende metaforen, humoristisch getekende personages en briljant benaderde spreektaal. Reuzen als Dostojevski, Conrad, Shaw en Nabokov beschouwden Bleak House als een van de literaire hoogtepunten van de 19de eeuw. En ik stamp graag met ze mee; harder zelfs, want voor mij hoort Bleak House tot de beste literatuur aller tijden.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl