STERRENSTELSELS VERRADEN WAAR ONZE MELKWEG HEEN VLIEGT

In de richting waarin ons melkwegstelsel door het `lokale' heelal raast is het aantal waargenomen zwakke en dus verre sterrenstelsels ongeveer één procent groter dan in de tegenovergestelde richting. Twee astrofysici van de universiteit van Oxford, in Engeland, bevestigen hiermee de richting van het melkwegstelsel die met andere technieken al was vastgesteld. Zij leidden de beweging af uit de ongelijke verdeling van de posities van zeer zwakke sterrenstelsels aan de hemel (Nature, 14 maart). Het gaat hierbij om een schijneffect, omdat het heelal op grote schaal beschouwd uniform is en in alle richtingen dus ook dezelfde aantallen sterrenstelsels bevat.

Chris Blake en Jasper Wall analyseerden de verdeling van honderdduizenden radiosterrenstelsels, waarvan de positie aan de hemel met behulp van de Very Large Array in New Mexico, VS, nauwkeurig was bepaald. De beweging van het melkwelstelsel veroorzaakt hierbij twee effecten. Het dopplereffect heeft tot gevolg dat de helderheid van stelsels in de richting waarin het melkwegstelsel zich beweegt (een beweging die los staat van de algemene uitdijing van het heelal) systematisch iets groter is dan in de tegenovergestelde richting. Hierdoor zullen telescopen in die richting ook iets meer radiostelsels boven een bepaalde helderheidsgrens ontdekken.

Het tweede effect is de `aberratie' van de straling die van die sterrenstelsels komt. Als gevolg van de beweging van het melkwegstelsel en de eindige snelheid van de straling van die stelsels zijn hun gemeten posities systematisch iets verschoven naar het punt aan de hemel waar het melkwegstelsel naar toe lijkt te bewegen. Ook dat heeft tot gevolg dat zich aan dat deel van de hemel iets meer sterrenstelsels lijken te bevinden dan aan het tegenovergestelde deel. Dit effect van de `afdwaling' van straling is overigens al meer dan twee eeuwen bekend bij sterren en wordt daar veroorzaakt door de aswenteling van de aarde en zijn jaarlijkse beweging rond de zon.

Blake en Wall hebben deze effecten nu voor het eerst bij verre sterrenstelsels gevonden. De `snelheid-dipool' in de verdeling van verre sterrenstelsels blijkt dezelfde richting te hebben als de temperatuur-dipool van de kosmische achtergrondstraling. Ook deze straling uit de periode kort na het ontstaan van het heelal heeft in de bewegingsrichting van ons melkwegstelsel een iets kortere golflengte c.q. iets hogere temperatuur dan in de tegenovergestelde richting. Het nu bij verre sterrenstelsels gevonden effect vormt zo opnieuw een bevestiging van de huidige theorie over het ontstaan van de kosmische microgolfstraling en van het heelal als geheel.