Shoppers, orenkopers en koopjesjagers

Wie zijn de kopers van moderne kunst? Aan die vraag wijdde kunsthistorica Renée Steenbergen een dissertatie, waarop zij begin mei hoopt te promoveren. Een vooruitblik.

Er wordt veel kunst gemaakt. En er wordt veel van die kunst gekocht. Tot die conclusie kom je onherroepelijk als je de openingen van beurzen als de Kunstrai of de Art Rotterdam bezoekt. Galeriehouders maakten er de laatste jaren geen geheim van: de business was booming – hoewel economische onzekerheid nu ook deze sector treft. Maar wie zijn die kopers van moderne kunst eigenlijk? Afgezien van banken, musea, bedrijven en bekende verzamelaars als Joop van Caldenborgh, Martin Visser en Martijn Sanders, moeten er toch heel wat minder kapitaalkrachtige particulieren zijn, die, desnoods met een Kunstkoopregeling van de overheid, keer op keer voor een kunstwerk zwichten.

,,Omdat geen enkele galeriehouder me kon vertellen hoe dat kunstkooppubliek in Nederland is samengesteld, wilde ik dat eens precies uitzoeken'', zegt de Amsterdamse kunsthistorica Renée Steenbergen (39), terwijl in haar woonkeuken een Chinese heer in olieverf ons achterdochtig observeert. Op 8 mei verdedigt Steenbergen na vijf jaar studie haar proefschrift Iets wat zo veel kost, is alles waard: verzamelaars van moderne kunst in Nederland, waarop ze inhoudelijk nu nog niet al te diep wil ingaan. Vanaf volgende week kan men in het expositiecentrum De Beyerd in Breda wél alvast een glimp opvangen van het particuliere verzamelklimaat dat schuil gaat achter de Hollandse voordeuren die voor Steenbergen opengingen.

De veelal nooit eerder getoonde kunstwerken – van Morandi's stillevens en Bill Brandts naakten tot pigmentwerken van Anish Kapoor en honderden sieraden – moesten voor miljoenen euro's worden verzekerd. De tien uiteenlopende privé-verzamelingen worden in De Beyerd tentoongesteld in de globaal gereconstrueerde woon- of slaapkamers van de eigenaren. De ene verzamelaar beperkt zich tot een enkele kunstenaar, Richard Long; de ander koopt uit liefde voor zijn favoriet ook diens leermeesters aan; en weer een ander fixeert zich op geestverwanten, op schilders door wiens ogen men zijn eigen kijk op de wereld herkent. Steenbergen: ,,Ik heb uit een bestand van zo'n 250 namen een selectieve steekproef genomen van zestig verzamelaars en hen in alle delen van het land bezocht; van een postbeambte in Zwolle die lange tijd geen televisie en auto had om toch vooral kunst te kunnen kopen, tot Freddy Heineken en andere topmannen uit het bedrijfsleven met thuis Picasso's aan de muur naast Cobra-doeken van Asger Jorn. Ontroerend waren vooral de mensen met een uitkering die zich van alles ontzeggen om werk in oplage te kunnen kopen.''

Wanneer heet een kunstliefhebber in Steenbergens proefschrift een verzamelaar? Als men ten minste vijf jaar achtereen regelmatig kunst koopt van nog levende kunstenaars en in bezit is van zo'n 25 tot 30 unica. ,,Maar de gedrevenheid geeft de doorslag. Het is ongelofelijk hoe menig verzamelaar voortdurend op pad is – van galerie via veiling naar museumtentoonstelling – en hoeveel kunstboeken er worden aangeschaft. Iemand vertelde me bijvoorbeeld van zijn huwelijksreis te willen afzien om voor dat geld toch vooral kunst te kunnen aanschaffen. Het verzamelen is dan de maatstaf van alle uitgaven, en dat gaat soms heel ver. Neem van mij aan, er zijn in Nederland wel degelijk `Getty's' en `Guggenheims' te vinden.''

Eenderde van de verzamelaars die Steenbergen selecteerde blijkt gehuwd en vrouw te zijn; in de categorie 50-plus, nog fit genoeg, uit de hogere inkomensklassen, die, als hun kinderen het huis uit zijn, zich graag uitgebreid oriënteren op de kunstmarkt. Alleenstaande vrouwen komen er door hun werk nauwelijks aan toe, hoewel er in het boek wel een 43-jarige, ongetrouwde beleggingsbankier aan het woord komt over Henk Helmantel en Matthijs Röling, figuratieve precisieschilders die ook in Breda vertegenwoordigd zijn.

Verzamelden vroeger opvallend veel artsen, tegenwoordig zijn vooral zelfstandige ondernemers en juristen op dit gebied actief, en eerder van katholieken dan van protestantsen huize. ,,Juristen verkennen graag de grenzen van de tegenpartij, dus onderhandelen ze tot het uiterste met de galeriehouder'', aldus Steenbergen. ,,Ondernemers missen in het contact met de kunsthandel vaak de dynamiek van het zakendoen. Beiden kunnen slecht met elkaar overweg, het zijn botsende culturen. Een zakenman verwacht een aardig verhaal bij een werk, hij wil aandacht krijgen en verleid worden tot een aankoop. Maar veel galeriehouders hebben geen commerciële achtergrond en kunnen zich niet in deze klanten verplaatsen.''

Bijna 80 procent van de 250 geselecteerde collectioneurs heeft een hbo- of wetenschappelijke opleiding en menigeen bleek over een fabelachtig geheugen te beschikken als het gaat over de momenten waarop men in een willekeurig museum ontroerd raakte bij het zien van een bepaald kunstwerk. Een toevallige ontmoeting verklaart vaak waarom men na museale ervaringen ook écht aan het verzamelen slaat.

Langzaam maar zeker leidt die bezigheid tot een vorm van verslaving, geeft tweederde van de geïnterviewden toe. Steenbergen: ,,Want ook een verzamelaar is een consument die zichzelf wil belonen en vaak betoont hij zich uitermate vindingrijk in het verzinnen van alibi's om keer op keer zijn self-gifts te rechtvaardigen, desnoods ten koste van relatieproblemen. Sommigen zijn zelfs bang depressief te worden als ze zouden moeten stoppen.''

Steenbergen, die haar proefschrift – in mei in een handelseditie verkrijgbaar – lardeerde met tientallen tabellen, bracht haar verzamelaars onder in categorieën. De `shopper' is een veelkoper; de `orenkoper' stort zich in de waan van de dag, eigentijdse kunst dus; de `koopjesjager' wil iedereen te slim af zijn en de trofeeënjager wacht zijn kans af, desnoods jaren, om een zeer kostbaar, favoriet werk aan te schaffen, dat als in blijde verwachting soms al aan het voeteneind van zijn bed in reproductie-vorm staat opgesteld. ,,Daartussen zijn nog genoeg varianten'', aldus Steenbergen, ,,maar velen hebben gemeen dat ze het collectioneren als een gezelschapsspel ervaren, een soort ganzenbord, met rivaliteit jegens elkaar en jegens de musea, die vanwege bureaucratische rompslomp minder besluitvaardig kunnen optreden.''

Wie het zich kan veroorloven schakelt tegenwoordig een kunstmakelaar in – een bemiddelaar die de veilingcatalogi scant, het reilen en zeilen van buitenlandse privé-collecties bijhoudt en die met internationale collega's netwerkt. ,,Zo'n kunstmakelaar is hier nog een zeldzaam verschijnsel, maar het Britse dagblad The Times voorspelde onlangs nog een groeimarkt in Europa voor dit type agent.''

De collectioneur mag dan nog steeds ten onrechte in een kwade reuk staan – te veel geld en te weinig kennis – de binding die hij heeft met zijn kunstwerken is enorm, zegt Steenbergen. ,,Een verzameling loopt vaak synchroon met een levensloop en staat voor een gematerialiseerd dagboek. Veel verzamelaars hebben de grootste moeite hun stukken te lenen of te schenken aan musea, omdat ze een veel voorkomend gebrek aan zorg ervaren als een krenking. ,,We leven nu in de Gouden Eeuw van de particuliere vermogens. De komende decennia zullen de babyboomers overlijden die de verzorgingsstaat oprichtten, het economisch tij meehadden, vaak grote carrièresprongen maakten, toch relatief zuinig leefden en straks kapitalen zullen nalaten. Het aantal particuliere fondsen, bestemd voor musea, is de laatste jaren al flink toegenomen. Er zijn particuliere musea zoals Beelden aan Zee in Scheveningen en het Frisia Museum in Spanbroek opgericht. En ik denk dat er nog heel wat andere zullen volgen.''

Tentoonstelling: Iets wat zoveel kost, is alles waard; 10 Nederlandse privé-collecties. Van 7 april t/m 26 mei in De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. Open: di. t/m vr. 10-17 uur, za. en zo. 13-17 uur. Boek: vanaf 8 mei verkrijgbaar; 32,50 euro (geb.).